Het intrekken van de referendumwet, het dichtdraaien van de gaskraan, het aanpassen van de WIV. Drie ‘wapenfeiten’ van het kabinet Rutte III. En dan was er nog Sybrand Buma die zei dat het kabinet de uitslag van het referendum juist zou negeren, Halbe Zijlstra die opstapte, en Stef Blok die juist terugkeerde naar Den Haag om hem te vervangen als minister van Buitenlandse Zaken. 

Het derde kabinet onder leiding van Mark Rutte zit deze week precies zes maanden. Nee, er zijn niet massaal nieuwe wetsvoorstellen ingediend (als we het regeerakkoord moeten geloven is er more to come). Maar stil is het het afgelopen half jaar niet geweest rond het kabinet.

Hoe de kiezer daarover denkt? Die waardeert het kabinet met een vertrouwenscijfer van 39 procent.

Meerderheid heeft geen vertrouwen

Ja, 39 procent is een minderheid. De grootste groep, zes op de tien, hebben géén vertrouwen. Logischerwijs zijn dat vooral kiezers van oppositiepartijen, de PVV en de SP voorop. Maar laag is die 39 procent niet, zeker vergeleken met de cijfers tijdens start van het kabinet. Op de dag van de bordesscène in oktober had 35 procent vertrouwen in het -toen nieuwe- kabinet. Dat is na een half jaar in actie dus gelijk gebleven, iets gestegen zelfs. 

En dat is uniek. Want hoe anders was dat bij eerdere kabinetten. Het vertrouwen in het laatste kabinet Balkenende was weliswaar redelijk stabiel, maar een stuk lager: gemiddeld hadden drie op de tien mensen vertrouwen. Het kabinet Rutte I begon met 40 procent steun, maar dat zakte snel. En dan Rutte II, de de VVD en de PvdA. Het vertrouwenscijfer van dat kabinet stond bij aanvang op 42 procent, maar halveerde binnen een half jaar. Op het dieptepunt, midden tijdens de economische crisis in 2013, had zelfs maar 16 procent vertrouwen. Dat was een jaar na het aantreden van het kabinet. 39 procent vertrouwen na een half jaar is in dat licht eigenlijk best redelijk...

Ook draagvlak Rutte stabiel

Een vergelijkbaar patroon zien we bij Mark Rutte. Een half jaar geleden, bij de start van het kabinet, had 43 procent vertrouwen in de premier. Dat weet hij vooralsnog vast te houden: nu heeft 42 procent vertrouwen dat hij het goed doet als premier. Alleen bij de start van het kabinet Rutte I in 2010 (51%) en Rutte II in 2012 (46%) was het draagvlak voor de premier hoger. De afgelopen jaren hadden een stuk minder mensen fiducie in Rutte, vooral op het toppunt van de economische crisis, de vluchtelingencrisis en rond het Oekrainereferendum. Verrassend dat die zaken een negatief effect hadden op het vertrouwen in de minister-president? Misschien niet. Maar het verschil met de impact van het referendum over de WIV op het vertrouwen (vrijwel geen) is benoemenswaardig.

Bij de start van dit kabinet dacht een kwart dat het de rit zou uitzitten. Zes maanden later is dat gestegen naar vier op de tien. Na zes maanden gaat het dus nog redelijk goed, maar als het kabinet inderdaad blijft zitten, zijn er nog 35 maanden te gaan. Die zullen niet makkelijk worden: men neme een mogelijk referendum over de donorwet en, nog prangender, een debat over de dividendmemo’s. Ingrediënten die het vertrouwen zomaar kunnen laten zakken. Wordt vervolgd...