We zeggen het niet vaak, maar wij peilers zagen het aankomen: de landslide-victory van het nee-kamp in het Oekraïne-referendum. Dat was dus niet echt een verrassing. Een andere ontwikkeling die we de laatste maanden zagen, was dat tegenstanders vaker zeiden te gaan stemmen dan voorstemmers. Is dat ook werkelijk gebeurd? En is er inderdaad een relatie tussen de opkomst en de uitslag? Dat hebben we uitgezocht.

In aanloop naar het referendum hebben we meerdere onderzoeken onder het Opiniepanel gehouden. We zagen dat de intentie om te gaan stemmen bij PVV- en SP-stemmers, de enige kiezersgroepen die in ruime meerderheid tegen het verdrag waren, flink hoger was dan bij andere achterbannen. Heel opvallend, omdat juist deze kiezers bij andere verkiezingen vaker thuisblijven. 

En terwijl veel nee-stemmers zeiden sowieso te komen, bleek dat voorstanders, om welke reden dan ook (bijvoorbeeld omdat ze op de dag de opkomst wilden afwachten, of omdat ze eigenlijk tegen dit referendum zijn), meer twijfelden om echt te gaan.

Relatie tussen opkomstpercentage en uitslag?

Het is wat gechargeerd gesteld, maar als er inderdaad een verschil was in de opkomst van de verschillende achterbannen zou dat betekenen dat er een relatie is tussen het opkomstpercentage en de uitslag. Een lagere opkomst zou verhoudingsgewijs in het voordeel van het nee-kamp zijn (SP- en PVV-kiezers komen immers vaker), bij een hogere opkomst kruipen het aandeel voor en tegen meer naar elkaar toe .

Nu was de uitslag niet in elke gemeente gelijk. Er waren wat vreemde eenden in de bijt: plaatsen waar het ja- kamp in meerderheid was. En tussen de gemeenten waar het nee-kamp wel won, bestaan ook flinke verschillen in de uitslag. Zo werd ‘nee’ met 50 procent nipt het grootste in Schiermonnikoog en Zwolle, terwijl er met overmacht werd gewonnen in Urk (83,3%). Die verschillen tussen gemeenten geven ons de mogelijkheid te onderzoeken of er inderdaad een verband is tussen opkomst en uitslag.

En wat blijkt, dat verband is er. Er is een significante negatieve relatie tussen het opkomstpercentage en het percentage tegenstemmers. Hoe lager de opkomst, hoe hoger het aandeel nee-stemmers, en hoe hoger de opkomst, hoe kleiner die groep.

Zijn het dan echt de SP- en PVV-stemmers die vooral zijn gaan stemmen? Daar lijkt het wel op. Uit onderzoek onder het Opiniepanel, de dag ná het referendum, blijkt dat de stemintentie inderdaad is omgezet in gedrag: het zijn de achterbannen van de PVV en de SP die, ruim meer dan andere kiezers, aangeven dat ze ook echt hebben gestemd. Een unicum.

Of dat een unicum blijft, is maar de vraag. Nee-stemmers hebben het werkelijke referendum gewonnen. En ze hebben daarnaast gezien dat het kán: als ze massaal opkomen kunnen ze een besluit terugdraaien - of het de regering in elk geval erg lastig maken met een negatief advies. Dat kan ervoor zorgen dat bij volgende referenda of verkiezingen méér kiezers uit de PVV- en SP-achterban zullen gaan stemmen. Aan de andere kant heeft de mentaliteit van de vóórstemmers een flinke dreun gekregen: uiteindelijk hebben ze er vooral voor gezorgd dat de drempel gehaald werd. Een deel van die stemmers heeft spijt van hun keuze, bleek uit ons onderzoek. Het is dus maar de vraag of ze bij een volgend referendum in dezelfde getale op komen dagen. En om het nog ingewikkelder te maken: een deel van de niet-stemmers heeft ook spijt.

TTIP

Wat er werkelijk gaat gebeuren zullen we vroeger of later zien. Het handelsverdrag TTIP wordt al genoemd als onderwerp voor een volgend referendum. Het is nog niet duidelijk of dat verdrag überhaupt referendabel is, laat staan of er een referendum komt. Maar het zou in dit kader een mooie casus zijn: de SP is tegen, maar de PVV heeft er vooralsnog geen uitgesproken opvatting over...