Stel je voor: doping blijkt niet meer dan een hersenspinsel. Leidse onderzoekers zijn bezig met een uniek onderzoek naar het wondermiddel epo. Ze vermoeden dat publiek én wielrenners jarenlang het effect ervan overschat hebben. Wielerliefhebber en EenVandaag-verslaggever Mark de Bruijn doet mee als proefpersoon. Vandaag: voelt ‘ie iets of voelt ‘ie niets?

Daar hebben we de volgende bijwerking al: epo is gekmakend. Dacht ik daarnet enig effect te voelen? Een plotse oprisping van onverklaarbare energie... nee, toch niet.

Of misschien een beetje dan, heuvel op, daar wíl ik het voelen.

 

De eerste training na mijn eerste injectie is het hallucineren op de golven van zelfbedrog. Kijk mij nu eens, o spiegelende winkelruit, o achteloze voorbijganger, ik fiets niet, ik vlieg. Terwijl ik ook wel weet dat het nooit zo snel werken kan. Misschien is wielrennen ook verlángen naar bedrog.

Voelde de eerste prik vorige week nog vreemd, de tweede is al bijna routine. Zo gaat dat met zondigen. Bibberend neem je de eerste hindernis, om daarna het kwaad achteloos te omarmen. Met verslavingen schijnt dat al niet anders te zijn. Al ken ik geen verhalen van wielrenners die na hun carrière epo bleven gebruiken. Dat was met amfetamines wel anders.

Zelfbedrog loont, is dat dan wat ze willen aantonen bij dit eerste echte wetenschappelijke onderzoek naar epo? Dat is wat de Leidse onderzoekers zeggen te doen.

Het idéé dat je epo krijgt zou dan net zo’n stimulerende werking hebben als het spul zelf.

Misschien krijg ik helemaal geen epo. Ben ik een placebo-proefpersoon. 

Je zou maar vaker meedoen aan dit soort medische experimenten, doorgaans bedoeld om nieuwe medicijnen te ontwikkelen. En dan altijd de placebo-pineut zijn. Dan wordt je leven één grote mindfuck. 

Er zijn heel wat bloed-taps nodig voordat de magische spuit volgt. 

Ik kan niet tegen prikken.

Ik moet niet zeuren.

Wielrenners houden van afzien, Of houden zichzelf dat graag voor. 

Ik experimenteer nu met het spul waar volgens spookverhalen jonge renners dood bij neervielen in de jaren ’90.

Misschien zou ik als journalist beter die feiten eens op een rijtje zetten, denk ik als ik in de wachtkamer zit. Wachten op die mindfuck.

Zie me daar nu zitten met mijn vinger op het gaasje. 

Goed aandrukken, dan wordt het niet blauw.

Ineens geloof ik die renners niet meer die zeiden dat ze op eigen houtje handelden. Gekocht via-via, af en toe een shotje zetten, dan bewaren tussen de eieren en de pastasaus van gisteren in de koelkast.

Of ik al iets voel. Mensen vragen me het met een verwachtingsvolle blik. 

Ik weet het niet. Sommigen zie ik ondertussen denken: wat een typische manier om je midlifecrisis door te komen. 

Ergens daarbinnen ontwaakt het spul. Daar fokken mijn rode bloedlichaampjes als konijnen en banen ze zich een weg in mijn door de wetenschap geperforeerde aderstelsel. 

Bij de eerste training blijk ik dat ene uurtje meer wind mee te hebben dan ik vermoedde. Op de terugweg is het snel gedaan met mijn geloof.

Gelukkig mag ik straks de volgende dosis halen.