De eindredacteur belde. Of ik wilde overwegen om heel misschien in de nabije toekomst eraan te willen denken om mijn maandagochtendstukje voor de site op zaterdag te willen laten plaatsen.

Ik moet even gezwegen hebben.

Op maandag kan een mens dat zijn werkende leven aan de sport gegeven heeft, vrij makkelijk zijn gang gaan. Er is gespeeld, verloren en gewonnen, er zijn helden ontstaan en heldinnen door het ijs gezakt, maar voor iedereen die een beetje de voelhorens goed uitgestoken heeft, levert dat op zondagavond, of uiterlijk op maandagochtend heel vroeg (net zoals vroeger huiswerk om kwart voor zeven ’s ochtends leren) voldoende stof voor een “stukkie”.

De eindredacteur stelde voorzichtig voor om anders naar sport te gaan kijken. “Voorbeschouwend,” zei hij.

Ik rilde.

Moet ik voorbeschouwend over Max Verstappen gaan schrijven?

Neen, niet doen.

Voorbeschouwend op het WK wielrennen en dan Tom Dumoulin een dikke veer in de kont steken?

Dat ligt me niet, dat is onwerkelijk: juichen voordat de start gegeven is. Neen, dat wist ik zeker, dat is niet mijn stijl. Ik weet niet eens of ik het wel kan. Ja, ik kon een mooie prent maken van de Limburger die zo goed presteerde in Bergen tijdens de tijdrit; maar die boterham is gesmeerd, belegd en bijna opgepeuzeld, nietwaar?

Moest ik over de idioot deplorabele stand van zaken van het Nederlands voetbal gaan schrijven en Swift Amsterdam als mijn lievelingsclub opgeven? Dat was vroeger de club van mijn klasgenoot Kees Gehring; een eerzame Amsterdamse vereniging die op het Olympiaplein speelde en Kees speelde daar in de spits en scoorde vaak op verrekt handige wijze.

Neen, niet doen, slecht idee, hoewel Kees dat waarschijnlijk wel een leuk idee zou vinden.

Maar zei de eindredacteur niet tegen me dat ik misschien een andere kant van de journalistieke waaier moest opzoeken, wellicht was dat een uitdaging.

“Moet ik televisie gaan kijken en daar dan een mening over gaan geven?” vroeg ik met redelijk veel twijfel in mijn stem. De eindredacteur vond het eigenlijk wel een spannend idee, zei hij. Van voor de camera naar achter het programma; dat was nog eens een switch.

Ik besloot dat ik dat niet kon doen. Ik keek immers zelden of nooit naar de Nederlandse televisie en dat moest maar zo blijven. Als je dan over die materie gaat schrijven, moet je ook de discipline gaan hanteren om veel te kijken en dat durfde ik niet aan.

Dat zou een zelfverloochening van jewelste zijn en daar zou iedere lezer dwars doorheen kunnen prikken. 

Moest ik dan Jeroen Pauw uitzien tot even voor twaalven en dan een begrijpend sociaal verantwoord verhaal gaan schrijven over wat er daar aan tafel werd gezegd?

Dat leek me een zekere no-go.

“Weleens aan een roddelrubriek gedacht?” zei de eindredacteur. Het weerlichtte in de kleuren paars tot en met okergeel door mijn hoofd. Moest ik dan een mening over de huiselijke situatie van Humberto Tan gaan opschrijven, terwijl ik al zeventig jaar de stelregel heb dat de roddelpers als onderdeel van de journalistiek niet deugt, dat mensen die die rommel schrijven niet deugen en diegenen die het lezen eigenlijk ook niet, maar ik besefte wel meteen dat ik zoiets ook niet kon zeggen.

Wat wel?

Dat het privéleven van een ander mij niet aangaat. Ook van Humberto niet, een man die ik een beetje persoonlijk ken en die ik graag mag.

En zo wil ik het graag houden.

Roddelen en roddelpers…doe maar niet, het is plat, sneu en zielig en ja, het schijnt erg lonend te zijn en een heleboel mensen grijpen naar die bladen, maar dus toch maar niet.

Een kookrubriek?

Zou kunnen, maar dan zou ik aansluiten in de rij van knotsgekke amateur-kokers die zo graag willen laten horen dat ze niet alleen smaak hebben, maar ook smaak kunnen aanbieden via hun eigen kookkunsten. Ja, ik had op vrijdag wel een lekkere kabeljauw-schotel bereid, dat wil ik niet ontkennen, maar toch. Overigens had ik weer eens te veel groente gekookt, maar dat zou op zaterdag, zo zei mijn betere ik, wel in pannenkoekjes verwerkt kunnen worden, want we zouden ’s middags een familielunch hebben en dan zouden we voor het avondeten genoeg hebben aan een leuk glas rood met wat handig in elkaar geflanste snacks.

Dus.

Tot u schrijft Mr. Twijfel en zoiets te zeggen, overkomt me niet vaak.

Ik ben verhuisd van de maandag naar de zaterdag, maar weet de weg niet in mijn nieuwe huis.

Die verhuizing is ook vervelend snel gegaan; het heeft me overvallen.

Ik buig nu voor u en roep “Mea culpa”. 

Ik heb de wissel te snel laten plaatsvinden, ik ben te aardig geweest. Het was beter geweest als ik eerst een bos- of heidesessie had belegd met mijn tweede ik. Dat ik die twee ikken met elkaar in gesprek had gebracht met als hoofdvraag: Wat nu?”

In de crisis die zich thans in mijn hoofd als een stormwind ontrolt, blijft weinig ruimte voor een goed onderwerp. Voorbeschouwen lijkt een mogelijkheid voor de komende weken, maar daar ga ik serieus over nadenken. Ik wil het graag serieus aanpakken en geen prut afleveren. Zelfkennis dient een deugd te zijn en geen fata Morgane.

Dus besluit ik met u, lezer, te beloven volgende week met een steviger verhaal te komen dan dit nu geworden is. Neen, het is geen zelfbeklag, maar meer het gevolg van een te snelle wissel van de maandag naar de zaterdag. Niet goed nagedacht vooral.

Ineens bedenk ik me dat ik die eindredacteur die me zo vriendelijk belde niet eens gevraagd heb waarom ik van maandag naar zaterdag werd gestuurd. Wat was daar de reden eigenlijk voor?

Mag ik die vraag dan hier nu maar stellen?

Ik heb 42 jaar bij de NOS gewerkt, 35 jaar voor TROUW geschreven, sinds 1968 schrijf ik voor het Haarlems Dagblad, ik heb 23 jaar For the Record voor de VARA gemaakt en schrijf al tijden voor de VARA Gids over muziek.

Ik ben een man van trouw en van lange afstanden.

En moet ik uit de door de redactie en de eindredacteur voorgestelde schemawissel waar ik het zo heel snel mee eens was, concluderen dat ze me op maandag “zat” waren. Als ik tijd heb dit weekend zal ik daar eens over na gaan denken.

Of had ik dan toch een mening moeten hebben over Donald Trump.

Die is mesjogge, dat is zeker.