"Officieel heb ik nu 57 halfbroers en halfzussen", vertelt Joyce. Net als haar broers en zussen is Joyce een kind van dezelfde, voorheen anonieme, spermadonor. Met de mogelijkheid dat het aantal kan oplopen tot in de honderden en het feit dat nog maar weinig mensen weten dat ze een donorkind zijn, vrezen sommigen voor onbedoelde incest. "We willen de risico’s voor ons nageslacht weten", zegt Joyce. 

Joyce heeft twee dochters; een tweeling. Ze is dol op de meisjes, maar soms is ze bang als ze denkt aan alle onbekende neefjes en nichtjes die nog rond kunnen lopen. “Als een van mijn dochters later thuiskomt met een vriendje, ga ik dan vragen: ‘Wat doen je ouders?’ of ga ik dan vragen: ‘Wie zijn je ouders’”, vertelt ze. 

info

Vanaf 1948 zijn er officieel 40.000 spermadonaties gedaan, maar volgens Stichting Donorkind kan het werkeljke aantal wel drie keer zo veel zijn. Ongeveer 80 tot 90 procent van de donorkinderen weet niet dat ze door een anonieme donor zijn verwerkt. Met de nieuwe Donorwet mag één donor nu nog maximaal twaalf gezinnen van zaad voorzien voor in het totaal 12 kinderen. 

Net als sommige andere donorkinderen, wil ze zo veel mogelijk broers en zussen vinden. “Niet alleen omdat we het leuk vinden om elkaar te leren kennen, maar omdat we vinden dat iedereen het recht heeft om te weten waar hij of zij vandaan komt. Anderzijds willen we ook proberen om de negatieve gevolgen zo veel mogelijk in te perken.” 

Kijk en lees ook:

Chaos bij vruchtbaarheidsklinieken 

Tot 2004 mocht er in Nederland anoniem sperma worden gedoneerd. In dat jaar ging de nieuwe Donorwet van kracht, wat het anoniem doneren verbood. Totdat die nieuwe wet in werking werd gesteld, heerste er chaos in de wereld van de vruchtbaarheidsklinieken. Een donor kon tientallen, of zelfs honderden, kinderen hebben, kenmerken van donoren werden verwisseld of verzonnen, zaad werd geregeld uitgewisseld met het buitenland en doktoren konden bovendien zelf sperma doneren. 

Martijn is zelf de zoon van een van de doktoren die zelf anoniem sperma heeft gedoneerd. Inmiddels weet Martijn wel wie zijn vader is. Ook heeft hij tot nu toe 43 halfbroers en halfzussen kunnen opsporen. Hij wil, net als Joyce, zo veel mogelijk verwanten vinden in het belang van zijn kinderen. “Stel je voor dat je kleinkinderen kinderen krijgen en die blijken erfelijke afwijkingen te hebben omdat je kleinkinderen aan elkaar verwant zijn. Dat moet je toch niet willen.”