Het leukste nattevingerwerk is het voorspellen van de winnaar van de presidentsverkiezingen. Vorige week schreef ik over de buitenissige manieren om de verkiezingen te voorspellen, deze week iets serieuzer pogingen. En als de pogingen serieuzer zijn, dan mogen we vind ik ook strenger zijn in ons oordeel. Wordt er goed voorspeld, of zijn er gaten te schieten in de voorspelling?

Economen zijn dol in het voorspellen van trends. Net zo graag voorspellen zij de Amerikaanse presidentsverkiezingen, want zij zijn er van overtuigd dat alleen de economie een factor is in de keuze van de Amerikanen voor hun staatshoofd.

Ze blijven het volhouden, die economen, ook al gingen ze ten tijde van Johnson in 1968, toen de economie als een zonnetje ging, maar de Democraten toch verloren, en in 2000 de mist in.

In 2004 zat een paar economen wel weer op het goede spoor. Volgens Ray Fair, econoom aan Yale University, zou Bush met 58,5 procent van de stemmen winnen. Elke keer weer grappig hoe er tot zelfs achter de komma wordt voorspeld, om de voorspelling een quasi-exact sausje te geven. Fair baseerde zijn voorspelling voornamelijk op het bruto nationaal product.

Volgens Chris Wlezien, politicoloog uit Oxford (GB), zou Bush in 2004 met 52,5 procent winnen. In zijn voorspellingsmodel spelen inkomensgroei en waarderingscijfers een grote rol. Wlezien voorspelde in 2000 dat Al Gore met 54,5 procent zou winnen. Gore verloor, met 50,5 procent van de stemmen.

De landelijke krant USA Today deed ook wel eens een poging om de verkiezingen te voorspellen. Maar echt hardop zeggen wie zij in 2004 dachten dat er ging winnen, durfden ze bij die krant niet. Maar hun troef was de job approval rating, het percentage Amerikanen dat zegt tevreden te zijn over het werk dat de president verricht. Volgens de krant was met uitzondering van Jimmy Carter elke president na Franklin Roosevelt herkozen wanneer hij zijn derde jaar afsloot met een job approval boven de 50 procent. En die uitzondering van Carter zei het eigenlijk al genoeg over de waarde die aan deze theorie gegeven kan worden, namelijk: geen. Theorieën staan erg zwak als er uitzonderingen zijn.

David Mayhew, een politicoloog van Yale, kwam vier jaar geleden met cijfers die aantonen dat een zittende president altijd meer kans heeft. Wanneer geen van beide kandidaten (leuk hoe derde partijen in discussies als deze altijd volledig over het hoofd worden gezien) de zittende president is, is de uitslag niet te voorspellen. De voorafgaande verkiezingen zijn dan geen indicatie. De cijfers: in de 54 verkiezingen sinds George Washington voerde 31 keer de zittende president een herverkiezingscampagne. In 21 daarvan won hij. In de overige 23 verkiezingen (dus zonder zittende president als kandidaat) won de partij die aan de macht was 12 keer en verloor 11 keer. Het hangt doorgaans af van hoe de kiezers de zittende partij beoordelen, aldus Mayhew.

De theorie komt overigens akelig in de buurt van die van historicus Allan Lichtman, van American University in Washington DC, auteur van The keys to the White House, waarin hij een systeem heeft ontvouwd waarmee de verkiezingen wel te voorspellen zijn. Zegt hij. Meer daarover volgende week, wanneer ik die theorie eens onder de loep hou.

Historicus Marc van Gestel schrijft sinds 2003 elke werkdag aan zijn weblog over de Amerikaanse presidentsverkiezingen vol: www.amerikalog.com