Het was een zegen voor de boer, maar een vloek voor de visser: de Zuiderzeewet uit 1918. Rijke visgronden werden omgezet in vruchtbare landbouwgebieden door de aanleg van de Afsluitdijk en inpoldering. Visser Hannes aan ’t Goor is na zestig jaar nog altijd boos, voor boer Piet Rombouts kwam een droom uit.

Flevo-pionier Piet Rombouts (95) vertrekt in 1961 naar het net drooggelegde Oosterlijk Flevoland. Hij is één van de 24 uitverkoren boeren die daar als eerste het land mag ontginnen. In 1961 krijgt hij bericht: hij komt in aanmerking voor een boerderij en een stuk grond.

Lees hier het hele verhaal van Piet Rombouts

Rombouts is zielsgelukkig. “Er was niets, alleen spreeuwen, weidevogels, kievieten, hazen en fazanten. En ingezaaide weilanden, met gras zo mals, dat je zelf een koe wilde zijn.” (..) “Er stonden alleen vier piketten op onrijpe, onontgonnen grond. Die moesten we geschikt maken voor landbouw. We werkten met de andere boeren samen om alles op te bouwen. Dat was zo mooi. Het maakte niet uit welk geloof je had. Je hielp elkaar.” 

Buitenspel gezet

Waar het voor de één mooi nieuw begin is, betekent het voor de ander het einde. Bij veel vissersdorpen langs de Zuiderzee hangen de vlaggen halfstok. Duizenden vissers maken plaats voor nieuwe polderbewoners: de boeren. Hannes aan ’t Goor is één van de laatste vissers in het gebied. In 1958 wordt zijn visvergunning ingetrokken en moet hij, net als vele andere vissers die brodeloos zijn geworden, een beroep doen op de Zuiderzeesteunwet.

Hij is er zestig jaar later nog altijd boos over. Boos over de manier waarop de vissers buiten spel zijn gezet. "Den Haag trok onze visvergunning in, maar dacht niet na wat voor gevolgen het voor ons had. Wij konden niet meer in ons onderhoud voorzien en klopten aan voor steun. We kregen het niet, maar werden als vuil aan de kant gezet: afgescheept met een afkoopsom van zestig gulden."

Foto: Het Flevolands Archief

Controle tot in de slaapkamer

Vele boeren wilden naar het nieuwe polderland, maar de selectie van boeren was streng. De polderpioniers maken lange werkdagen onder barre omstandigheden in werkkampen. Na zeven jaar had werken, worden maar 1700 boeren als goed genoeg bevonden. Tot in de slaapkamer controleert de Rijksoverheid of de boer en boerin netjes zijn.

Ook wordt de verschillende religies in een gelijke hoeveelheid verdeeld. Vervolgens moeten boeren een selectieproces van een uur voeren met de selectiecommissie. Uiteindelijk krijgen goede boeren 48 hectare grond en minder goede boeren maar twaalf hectare. Tenminste, zo was het als je al iets kreeg. Het grootste gedeelte van de polderarbeiders werkte zeven zware jaren voor niets.

De onzekerheid gold ook voor Rombouts. “Ik droomde ervan, maar was bang dat de droom voor mij niet was weggelegd. Uiteindelijk is het gelukkig meer dan goed gekomen. Makkelijk was het zeker niet.”