Hartverwarmend. Anders kun je het niet noemen, al die welgemeende reacties uit ‘de internationale gemeenschap’ op het heengaan van De Gids van de Revolutie. Jammer dat Kadhafi nooit voor een rechter zal verschijnen, is de teneur, maar toch prachtig dat deze vreselijke tiran na meer dan veertig jaar terreur en ellende van het podium is verdwenen.

Tuurlijk.

Het is altijd fijn om te zien hoe snel en welbespraakt onze leiders afscheid kunnen nemen van een minder fijnbesnaarde collega wanneer die definitief het veld heeft geruimd. Opvallend ook omdat er genoeg politici zijn geweest (Obama, Blair, Sarkozy, Berlusconi) die nog niet lang geleden Kadhafi een kerel vonden die je kon omhelzen of met wie je best zaken kon doen.

Zeven weken geleden reed ik, nadat ik voor EenVandaag verslag had gedaan van de val van Tripoli, langs de kust van Libië. Onderweg zag ik de pijlers van de economie: grote olie-installaties. Ondanks al het oorlogsgeweld waren ze onbeschadigd, omdat zowel de troepen van Kadhafi en de rebellen wisten aan welke kant hun boterham besmeerd werd. Olie is geld, dat hoef je ook een Libiër niet twee keer te vertellen. En onderdrukt of niet, oneerlijk verdeeld of niet, Libië heeft heel wat oliegeld binnengekregen.

Politici hebben, nog meer dan zakenlieden, een fenomenaal reukvermogen voor kansen en opportunistische dealtjes. Zoals haaien een bloedende prooi op een kilometer afstand kunnen ruiken, zo hebben De Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Italië de laatste jaren over een veel grotere afstand aangevoeld dat Muammar Kadhafi na jaren van terroristen sponsoren, onderdanen martelen en economische sancties wel weer eens behoefte had aan contact met de Beschaafde Wereld.

Muammar zwaaide met oliecontracten, investeringsmogelijkheden, miljoenenvergoedingen voor familieleden van de Lockerbie-ramp en een barrière tegen tienduizenden Afrikaanse mannen die naar Europa dreigden te komen. Het Westen rook kansen en hapte gretig toe. Kadhafi mocht dan een heel naar mannetje zijn, we konden hem goed gebruiken. Een paar stappen in het Google-domein leveren al genoeg feiten- en fotomateriaal op over hoe het Westen en Libië dikke sjans kregen in ruil voor contracten en toezeggingen.

Is dat erg?

Ach, politiek is een vies spel. De dag dat regeringen, ook de onze, geld níet belangrijker vinden dan mensenrechten, moet nog aanbreken en ik weet zeker dat ik (en mijn gezondheid is prima, dank u) die niet zal meemaken. Maar bij het verscheiden van De Gids van de Revolutie, 20 oktober 2011, realiseer ik me weer eens te meer hoe cynisch het leven is en hoe verrekte snel het gaat. Ik ben 46 jaar oud en tot begin dit jaar was voor mij Kadhafi een vanzelfsprekendheid, een leider die zolang ik had geleefd er altijd al was geweest.

Vorig jaar mei kwam ik voor het eerst in Libië en het land was zijn persoonlijk bezit, dat was glashelder. Begin dit jaar kwam ik er weer en het land begon hem te ontglippen. Afgelopen september was het een verloren zaak voor Muammar. Ik liep door zijn verwoeste paleis in Tripoli, keek uit een raam op zijn binnenplaats en zat op zijn bankstel. Gefinancierd met ons oliegeld.

Kadhafi is nu dood. En de meeste Libiërs vinden dat prima, zij willen hun land graag weer opbouwen zonder de schaduw van Kadhafi over hen. Een rechtszaak tegen een man die hen zo lang heeft kapotgemaakt, wat moeten ze ermee. Dat is een luxe voor beschaafde mensen in Westerse landen. Landen die tientallen jaren lang hebben geprofiteerd van de goedkope olie die de Kadhafi-dictatuur hen bood.

De Romeinen zeiden het al: pecunia non olet, geld stinkt niet. Een wijs woord. Het is niet erg om met een dictator zaken te doen; wij Nederlanders zijn er bijzonder goed in. Het is alleen zaak om je als de sodemieter uit de voeten te maken, wanneer de dictator omkiepert. Want dan begint het zaakje te stinken. En daar zit geen enkele politicus op te wachten.