Babi pangang is inmiddels even Hollands als boerenkool en hutspot. Maar door het verdwijnen van de lokale dorpschinees dreigt het gerecht verloren te gaan. De Chinees-Nederlandse Julie Ng wil het gerecht nu redden door het toe te voegen aan de lijst Nederlands Immaterieel Erfgoed.

Ze leerden ons in de jaren ’60 uit eten te gaan: zelfs de kleinste dorpen en gehuchten kenden Chinees-Indische restaurants. Het bekendste gerecht? Babi pangang natuurlijk. Maar de restaurants verdwijnen, onder meer doordat de generatie die de restaurants heeft opgebouwd ermee stopt en hun kinderen niet verder willen in de familiezaak. Zo ook schrijfster en filmmaakster Julie Ng: "Ik groeide als kind op in het Chinese restaurant van mijn ouders. Ik neem de zaak niet over, net als vele anderen van mijn generatie."

Kijk & lees ook

Hoewel ze de zaak niet overneemt, heeft ze veel respect voor het werk van haar ouders, voor die generatie pioniers. "Het was de eerste generatie Chinezen die met hard werken hun Chinees-Indische restaurants op de kaart hebben gezet. Ondernemers die met veel aanpassingsvermogen hun bestaan hier in Nederland hebben opgebouwd. En ons, hun kinderen een toekomst hebben kunnen bieden. Ik ben daar trots op."

Gediscrimineerd en uitgescholden voor 'poepchinees'

Hiermee is niet gezegd dat ze het als kind van Chinese ouders makkelijk had. "Van jongs af aan betekende opgroeien in het Chinees restaurant van mijn ouders voor mij 'anders zijn'. Je werd gediscrimineerd en nageroepen op straat, ‘poepchinees’. Om mezelf daartegen te wapenen begon ik mij af te zetten van mijn Chinees-zijn wat leidde tot misverstanden en miscommunicatie thuis."

Toch bekijkt Julie het verleden positief. Ze ziet vooral de winst die in de jaren is geboekt: "Babi pangang is een gerecht dat verschillende culturen met elkaar verbindt: de Chinese, de Indonesische en de Nederlandse. Babi pangang is daarom een authentiek 'Nederlands' gerecht in zijn eigen soort.”

'Babi pangang niet verloren laten gaan'

Als eerbetoon aan de generatie van haar ouders zet Julie zich nu in voor het behoud van de restaurants, maar vooral van het gerecht babi pangang. "Nu het aantal Chinese restaurants zo afneemt zien wij vanuit onze stichting de noodzaak om de aandacht hierop op houden, zodat het nooit verloren zal gaan", zegt ze. Ze wil met de Stichting Meer Dan Babi Pangang zijn het gerecht toevoegen aan de lijst Nederlands Immaterieel Erfgoed Nederland.

Julie Ng gaat verder. Behalve het streven om het gerecht op de erfgoedlijst geplaatst te krijgen, wil ze ook een documentaire maken. De titel? 'Wij zijn meer dan babi pangang.' Het moet haar regiedebuut worden, het budget hoopt ze deels met crowdfunding bij elkaar te krijgen.

Sterk verweven met plattelandscultuur

Het zijn niet alleen Chinese Nederlanders die het project steunen. Zo komt er uit onverwachte hoek steun voor het plaatsen van het gerecht op de Immateriële Erfgoed Lijst. De Friese Gedeputeerde Sietske Poepjes vindt dat de lokale Chinees sterk verweven is met de Friese plattelandscultuur en daarom inderdaad op de lijst van Hollands immaterieel cultureel erfgoed moet. “Mensen zullen er misschien om lachen, maar ik ben heel serieus. Want het hoort echt bij ons”, zegt ze in de Leeuwarder Courant. “Chinese restaurants zijn een integraal onderdeel van Friesland waar ik in ben opgegroeid." In ruil voor een kleine rol voor Friensland in de documentaire overweegt Poepjes een financiële bijdrage aan de documentaire te leveren.

info

Babi pangang, de geschiedenis van een multicultureel gerecht

Weinigen weten maar dat babi pangang eigenlijk Indonesisch is. Babi is het Indonesische woord voor varken. Panggang (met dubbel g) betekent geroosterd. Oorspronkelijk hebben Chinezen het in de 13e en 14e eeuw meegenomen naar Indonesië. Zij noemden het Fonam: geroosterd varkensbuikspek.

In Indonesië aten rond het jaar 1900 Chinezen, Nederlanders en het overwegend christelijke Batak-volk babi panggang. Het geroosterde varkensvlees werd door de Batak met een saus van varkensbloed overgoten. Het is nog steeds een populair hapje op Noord-Sumatra en Java, maar is inmiddels omstreden: moslimfundamentalisten demonstreren tegen het varkensgerecht.

In 1911 kwamen de eerste Chinezen als zeelieden naar Nederland. Toen eind jaren ’20 een wereldwijde economische crisis uitbrak, raakten deze zeelieden werkloos. Ze hadden geen geld om terug te keren en gingen op straat pindakoekjes verkopen. Met de opbrengsten hiervan begonnen ze met het openen van restaurants. Ze verkochten authentiek Chinees eten, maar de gerechten waren niet populair bij het Nederlandse publiek. Babi pangang stond destijds nog niet op het menu.

Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog en de daaraan verbonden onafhankelijkheid van Indonesië. Toen ontstond er veel interesse voor babi pangang en de Indische keuken, zowel door de terugkomst van de militairen die in Indonesië hadden gevochten als de komst van de Indische Nederlanders. Toen Chinese restauranthouders doorkregen dat er een markt was voor dit ‘heimweevoedsel’, werden Indische ‘kokkies’ in dienst genomen. Zo ontstonden in de jaren 60 de Chinees-Indische restaurants in heel Nederland. Voor veel Nederlanders was dat de kennismaking met de uit-eten-gaan cultuur. De smaak van de gerechten werd aangepast aan de Nederlanders. De vorm van babi pangang zoals wij dat kennen is dan ook typisch Nederlands.