Met mijn eigen ogen en oren heb ik vernomen hoe het is gesteld met de situatie van verpleeghuisbewoners in veel Nederlandse verpleeghuizen. De rode draad voor mij daarin is het gebrek aan positieve communicatie, gebrek aan begrip en respect voor de medemens en het feit dat vrijwel niemand zijn of haar verantwoordelijkheid neemt. Op deze wijze begon ik met het schrijven van mijn zomerblog voor EenVandaag in 2008.

Inmiddels is het 2011 en helaas heb ik moeten constateren dat de situatie in veel Nederlandse verpleeghuizen de afgelopen jaren nog onmenselijker is geworden. Een cultuuromslag waarin iedereen zijn verantwoording neemt en macht omgezet wordt in leidinggeven heeft niet plaatsgevonden. Veel locatiemanagers en bestuurders verrijken zichzelf over de hoofden van hun kwetsbare bewoners. Zij houden zich middels fusies en uitbreidingen bezig met de vraag op welke wijze zij nog meer macht naar zich toe kunnen trekken. Een enkeling handelt vanuit roeping, waarbij de cliënt centraal staat.

Ruim vijf jaar lang verbleef mijn moeder in een instelling. De huisfolder vertelde mij dat men menselijk was en moeder een respectvolle bejegening zou krijgen. De waarheid bleek echter anders, langzaamaan werd duidelijk dat zij werd verwaarloosd. Vanuit het gedachtegoed van de instelling vond men het normaal dat moeder dagenlang achtereen op bed lag, het vaak koud had en regelmatig op de tocht zat, te weinig eten en drinken kreeg en dat de medische behandeling zeer ontoereikend was. Bewoners moesten langzaam versterven en werden niet, zoals men in de folder deed voorkomen, menselijk benaderd. Gedurende de ruim vijf jaren dat mijn moeder in de instelling verbleef heb ik vier (interim)locatiemanagers en acht (interim)afdelingshoofden voorbij zien komen. Er was sprake van onrust in plaats van een stabiel beleid. Moeder werd ziek, gedurende de acht dagen daarvoor hing er een briefje boven de wastafel op haar kamer met de tekst 'kraan defect, niet gebruiken'. Hoe had men moeder in hemelsnaam gedurende deze acht dagen hygiënisch kunnen verzorgen, het personeel kon zelf niet eens de handen wassen. Ik haalde verhaal bij de Raad van Bestuur. Ik werd als lastig en agressief bestempeld en vanaf die tijd stond men mij alleen nog te woord via een advocaat die voor de bestuurder sprak. Ten gevolge van nalatigheid en verwaarlozing door de instelling, werd moeder met regelmaat opnieuw ziek. Zo ook in mei van 2011. Moeder had koorts, ik gaf aan dat er mijns inziens ten gevolge van de slechte hygiëne en een tekort aan vocht waarschijnlijk sprake was van een blaasontsteking. De volgende ochtend bleek dit het geval te zijn. Ruim drie dagen later kreeg ik in de nacht een telefoontje van een mij onbekende arts. Deze basisarts, zoals mij later bleek, vertelde mij dat het niet goed ging met moeder en zij in haar pré-terminale fase verkeerde en die nacht zou gaan overlijden. De onbekende basisarts gaf in het gesprek aan dat ik terughoudend met betrekking tot ziekenhuisopname zou zijn en daarvoor in het verleden had getekend. Ik zei haar dat dit niet waar was en dat ik wilde dat zij een ambulance zou bellen, wat zij stellig weigerde. Ik ging direct naar de instelling en schudde de betreffende arts 'letterlijk en figuurlijk' wakker. Uiteindelijk belde ik zelf 112 waarna moeder werd overgebracht naar het UMCU. Op de eerste hulp ging zij direct aan een infuus. De volgende dag al was zij koortsvrij en op dinsdag gaf de specialist aan dat het zo goed ging met moeder dat zij vrijdag weer terug naar de instelling mocht. Omdat ik door had gepakt en 112 had gebeld, was moeder niet overleden maar beter geworden. De instellingsarts en dienstdoende basisarts hadden mijn moeder opzettelijk in een hulpeloze toestand gebracht en/of gelaten, terwijl zij tot haar verpleging en verzorging verplicht zijn. De locatiemanager van de instelling dacht daar heel anders over. Terwijl moeder nog in het ziekenhuis lag stuurde zij mij een brief met de mededeling dat 'mocht moeder toch onverhoopt nog opknappen, zij tijdelijk terug kon komen totdat er een andere zorgplek voor haar was gevonden'. Mij werd vanaf dat moment vanwege agressief en ontoelaatbaar gedrag de toegang tot het huis ontzegd. Onder geen beding kon moeder terug naar deze instelling. Er was geen andere mogelijkheid dan moeder in huis te nemen. Na een week in het ziekenhuis te zijn opgenomen kwam moeder bij mij thuis. In de tussentijd bleek de basisarts aangifte tegen mij te hebben gedaan wegens mishandeling. Niet ik was degene die zich schuldig had gemaakt aan mishandeling, maar deze arts had mij een pijnlijke blauwe plek op mijn borst bezorgd en het kettinkje dat ik om mijn nek droeg gebroken. Een paar maanden later kreeg ik een oproep om te verschijnen voor de officier van justitie. De zaak werd uiteindelijk geseponeerd.

Moeder woont nu bijna vijf maanden bij mij in huis. Met hulp van thuiszorg, familie en vrienden zorgen we samen voor haar. We hebben het gevoel dat moeder thuis is en volgens de medewerkers van de thuiszorg is haar toestand de afgelopen maanden sterk verbeterd. Zij geniet weer van het leven en wij ondernemen veel. Ik overweeg nu om een kleinschalige instelling te starten, want wat ik voor mijn moeder kan betekenen kan ik ook breder uitdragen.

U kunt het verhaal van mijn moeder en mij terug zien in de uitzending van EenVandaag van dinsdag 11 oktober 2011 .

Deze gastlog is geschreven door Annemarie Boom.