In 28 jaar werd in Nederland nooit zo vaak gestaakt als in 2017: 32 keer. Dat doet vermoeden dat Nederlanders een staaklustig volk is. Ten onrechte, blijkt uit onderzoek van EenVandaag onder ruim 6.100 mensen in loondienst. 

Het grootste deel van de werknemers (57%) is namelijk niet bereid om te staken. Wat zit er achter die lage actiebereidheid? Gebrek aan onvrede is er bepaald niet: 61 procent van de werknemers is recent ontevreden geweest over zijn huidige baan. Drie andere redenen waarom we het werk maar niet willen neerleggen. 

Kijk en lees ook:

Staken als luxe van vroeger

Allereerst leven - of werken - we in een tijd waarin de arbeidsmarkt flexibeler is geworden. De helft van de werkenden (50%) geeft aan dat het met hun huidige baan niet mogelijk is om te staken, tegenover 38 procent bij wie het wel mogelijk is. “De aard van mijn werk en mijn werkgever zijn niet naar om te staken”, zegt een werkzaam panellid. 

Niet voor niets gingen in recordjaar 2017 vooral beroepsgroepen de bres op waarin relatief vaak in vaste dienstverbanden wordt gewerkt, zoals leraren, chauffeurs in het streekvervoer en fabriekspersoneel. Het ‘flex-contract’ heeft in andere beroepsgroepen zijn intrede gedaan, waarmee je je nauwelijks kunt organiseren in een vakbond of het risico niet wil nemen. Een panellid over deze benarde positie: "Als je staakt gooit de werkgever je er tegenwoordig gewoon uit en pakt een ander. Staking opgelost.” 

Nederland, polderland

Naast de onmacht om te kunnen staken, is het ook een kwestie van onwil. Nederlandse werknemers houden er gewoon niet van en geloven meer in het bewaren van de goede vrede met de werkgever. Het ‘polderen’ - de overtuiging dat geschillen opgelost moeten worden aan de onderhandelingstafel - zit daarmee nog altijd diep in onze genen. Zo licht een werknemer toe: “Staken gaat ten koste van het vertrouwen van de werkgever in mij. Chantage is geen goed middel.“ 

Zelfs het besef dat er aan die onderhandelingstafel compromissen gesloten moeten worden, doet niet af aan de voorkeur voor overleg van werkende Nederlanders: “Ik ben van mening dat je met elkaar aan tafel moet zitten en soms water bij de wijn moet doen om ieders belangen te behartigen”, realiseert een panellid zich. Komen zij er alsnog niet uit? Dan zoeken mensen een werkgever waar overleg wel mogelijk is: “Ik zie staken niet als een passend middel. Ik overleg met de werkgever en als we er niet uitkomen ga ik elders werken.”

Weinig vertrouwen in vakbonden

Tot slot de rol van de vakbond. Die is namelijk tanende. Naast de ledenaantallen die al jaren teruglopen, is de reputatie van de vakbonden broos. 36 procent van de werkenden heeft vertrouwen in vakbonden, tegenover 38 procent die dat niet heeft. Het overige deel (26%) heeft er geen mening over. 

Uit de toelichtingen van critici is duidelijk dat de vakbond in Nederland het zelden goed kan doen. Vanuit de poldermentaliteit vinden mensen de vakbonden te radicaal: “Vakbonden beginnen te snel te dreigen met stakingen". En een ander: “Het is onredelijk om alleen maar te wijzen naar de werkgevers, zoals de vakbonden al snel doen.” 

Bij een ander deel is juist de nauwe verhouding met de werkgevers een reden om de vakbonden te wantrouwen. Een panellid is door schade en schande wijzer geworden: “Ik heb gestaakt, geprotesteerd en actief meegeholpen, maar het kader heeft de boel belazerd. Na hun vakbondscarrière gaan ze mooie baantjes tegemoet in het bedrijfsleven.” Anderen verwijten de vakbonden te veel te zijn geïnstitutionaliseerd: “Vakbonden zijn politieke organisaties geworden”. 

Lees ook

Over dit onderzoek

Aan het onderzoek, gehouden van 17 tot en met 23 augustus, deden 23.455 leden van het EenVandaag Opiniepanel mee. Daarvan zijn 6.136 mensen die aangeven op dit moment ergens in loondienst te zijn ondervraagd over hun salaris. De uitslagen van het onderzoek zijn na weging representatief voor zes variabelen.