“Het waren zulke mooie beesten”, verzucht Nutte Dijkstra. Als broekie van nog geen twintig jaar werkte hij samen met tientallen andere jongens uit Noordoost-Friesland op het walvisfabrieksschip de Willem Barendsz. Hij hoort tot de generatie laatste walvisvaarders uit Nederland.

Helden waren zij tijdens de wederopbouwjaren in de vorige eeuw. Nederland had net na de Tweede Wereldoorlog een groot tekort aan vetten en oliën. Via de walvisvaart, die nieuw leven werd ingeblazen, kwamen er tonnen traan van de walvis naar Nederland. Het traan dat werd gekookt uit het vlees van een walvis stond gelijk aan de jaarlijkse vetproductie van 275 koeien.

Twee walvisvaarders, net voor het aanmonsteren op het schip.

Van helden naar moordenaars

Zestig jaar later zwijgen de meeste walvisvaarders over het werk dat ze ooit deden en over hun avontuurlijke reizen naar de Zuidpool. Het imago van de walvisvaarders is omgeslagen. Van helden veranderde ze in moordenaars van een beschermde diersoort.

“Er rust een taboe op’’, zegt studente Anne-Goaitske Breteler (22). Zij heeft de vergeten geschiedenis opgediept voor haar boek ‘De traanjagers'. Herinneringen van naoorlogse walvisvaarders’ dat deze week uitkomt.

Morele berisping

In het boek schrijft ze: “Als ik vertelde over het onderzoek waarmee ik bezig was dan hoorde ik snel: wat vind jij dan van de walvisvaart? Een beladen vraag waarmee indirect werd gepeild aan welke kant van de streep ik me bevond. Ik weet zeker dat de oud-walvisvaarders die dreiging van morele berisping nog meer voelen.’’

Als 16-jarige werkte Breteler in café De Bûnte Bok in het Friese dorpje Lioessens. Een grote muurschildering van een schip op walvisjacht staat prominent op een van de muren. De sterke verhalen van oude stamgasten van dit voormalige walvisvaarderscafé wekte haar nieuwsgierigheid. Ze deed vier jaar onderzoek naar een vergeten stukje verleden.

Walvisvaarders bewerken de ribbenkast van een walvis met flensmessen.

De lange dagen van walvisvaarders

Tussen 1946 en 1964 voerde de Nederlandse Maatschappij voor de Walvischvaart achttien expedities uit naar de wateren rond de Zuidpool. In 1964 komt een definitief einde aan de Nederlandse walvisvaart, vanwege de sterk afgenomen populatie walvissen.

Walvisvaarders draaiden lange dagen: zeven maanden lang  twaalf uur op, twaalf uur af op walvisfabrieksschip de Willem Barendzs. Het reusachtige schip vertrok uit Amsterdam legde aan in Zuid-Afrika, waar de vangboten met harpoenjagers zich aansloten. En zo voer een vloot van 10 tot 12 schepen naar de Zuidpool.

Rauwe arbeid

“Het was hard werken aan boord. Soms moesten er wel 90 walvissen bewerkt worden”, zegt Breteler. “Aan boord zaten veel Friezen. Die hadden het imago dat ze niet vies waren van hard werken.’’  

De arbeidsomstandigheden waren rauw en hard. “Een echtgenote zei over haar man: als hij thuis kwam stonk hij wekenlang naar traan. Op het dek lagen resten van de walvissen te rotten. Die geur was geen pretje.”

Het leven aan boord

Wieb de Jong (82) voer mee op vijf walvisvaarten. Hij kon daardoor geld sparen en een huis kopen met zijn vrouw. Hij heeft een oud fotoalbum met kiekjes van het leven aan boord. Hij sliep in een stapelbed in een kleine hut. Een gordijntje zorgde voor wat privacy. Elke week vond inspectie plaats of de hut wel opgeruimd genoeg waren. Als het na een waarschuwing nog een rommel was dan werd je op je loon gekort.

Nutte Dijkstra deed twee walvisvaarten. Hij kan je alles vertellen over de beruchte ‘roaring forties’: tussen de veertig en vijftig graden zuiderbreedte, net voorbij Zuid-Afrika, stak vaak een sterke westenwind op. De stormen werd door de bemanning gevreesd.

‘Was ik maar nooit meegegaan’

Hij schreef tijdens de vaart in een dagboek. Normaal gesproken zagen de walvisvaarders alleen dode walvissen. Een jager had ze al gedood met een harpoen. Toch kon het voorkomen dat een walvis in de buurt zwom van het fabrieksschip de Willem Barendsz en daar pas werd gedood.

Nutte schrijft daarover: “Vanmorgen heb ik het drama van de walvisvaart gezien. Ja noem het maar drama hoe die arme beesten aan hun eind komen. Er was een jager vlakbij het schip en die jaagde achter de walvis aan. Maar de walvis was nog lang niet dood door het eerste schot, ook al spoot hij bloed omhoog. Toen kreeg 'ie nog een schot, daarna heeft hij het niet zo lang meer gemaakt. Nou dat is moorden hoor.’’

Terugblikkend zegt hij: “Soms denk ik, was ik maar nooit meegegaan. Het waren zulke mooie beesten.’’

Twee walvisvaarders zitten in de bek van een walvis.
Twee walvisvaarders zitten in een bek van een walvis.

De mannen die samen de wereld zagen

Breteler viel het op dat de walvisvaart alle mannen die ze sprak heeft gevormd. De meesten hebben een tatoeage die aan de walvisvaart herinnert. “Het waren allemaal jongens van dezelfde leeftijd die in een tijd dat de wereld veel groter leek dan nu op avontuur gingen. Ze hebben met elkaar de wereld gezien en dat schept een band. Veel van hun kinderen zijn later ook gaan varen, bijvoorbeeld bij de marine."