Nederland doet het slecht in vergelijking met andere landen als het gaat om het inzetten van kroongetuigen. Strenge wetgeving maakt het lastig om kroongetuigen in te zetten. Dit is een direct gevolg van de IRT-affaire, waarbij inzet van infiltranten volledig uit de hand liep.

Tot nu toe profiteren alleen verdachten van zware delicten van de huidige regeling terwijl men juist beoogde ook ‘kleinere vissen’ tot medewerking te bewegen. Dat blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Strafrecht en Criminologie van de Universiteit Leiden. Voor het onderzoek is achter de schermen gesproken met tientallen officieren van justitie en rechercheurs. Uit die gesprekken blijkt in veel meer zaken dan tot nu toe bekend geprobeerd is om kroongetuigen in te zetten, maar dat de kandidaten meerdere redenen (waaronder te strenge regels, consequenties zware beveiliging) afhaken, aldus hoogleraar Jan Crijns tegen EenVandaag. 

Justitie kan geen aantrekkelijk aanbod doen

In Nederland is de speelruimte om criminelen iets te bieden beperkt. Zo kan men in het buitenland onder bepaalde omstandigheden afzien van het opleggen van straf terwijl dat hier niet kan. Het enige dat men kan is strafvermindering aanbieden. 

Gebrekkige afstemming kroongetuigen en getuigenbescherming

Als kroongetuigen ingezet worden, dan is het noodzakelijk om de getuige en diens familie te beschermen. En daar wringt nogal eens de schoen omdat een getuigenbeschermingstraject nauwelijks gecontroleerd wordt. In het buitenland staat getuigenbescherming vaak op meer afstand van de justitiële autoriteiten waardoor problemen worden voorkomen. 

Wettelijke regeling kroongetuigen opnieuw bekijken

Aangezien de huidige regelgeving in de praktijk niet goed uitpakt, pleiten de onderzoekers ervoor om de kroongetuigenregeling opnieuw te gaan bekijken. Ook zou er meer controle moeten komen om te checken of gemaakte afspraken met kroongetuigen ook daadwerkelijk worden nagekomen. Het onderzoek is vandaag naar het ministerie van Justitie gestuurd.