Vandaag vernietigde de Hoge Raad het vonnis van het Hof in Leeuwarden inzake de Groninger HIV-zaak. In deze zaak zijn twee hoofdverdachten, Peter M. en Hans J. in 2010 veroordeeld tot respectievelijk 12 en 9 jaar gevangenisstraf, voor het opzettelijk besmetten van andere mannen met het HIV-virus, door middel van injecties met besmet bloed.

Verdachte Hans J. verklaarde destijds hierover; "Het was een spel, we tapten bloed af en injecteerden elkaar met ons bloed". De vernietiging van het vonnis door de Hoge Raad betekent dat de hele zaak nu over moet. Het belangrijkste argument van de Hoge Raad voor deze uitzonderlijke uitspraak is het probleem van de bewijslast. Of, zoals ze het zelf verwoorden;

“Het hof heeft vastgesteld dat in algemene zin de kans op besmetting met hiv door injecties met geïnfecteerd bloed veel groter is dan de kans dat dit via onbeschermde seks gebeurt. Dat levert wel het vermoeden op dat de verdachten de besmetting hebben veroorzaakt. Maar het hof heeft niet vastgesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de hiv-besmetting van ieder van de slachtoffers het gevolg is van onbeschermde seks met een besmet persoon. Dat de kans op hiv-besmetting door seks met derden veel kleiner is dan de kans op besmetting door het injecteren door de verdachten, betekent nog niet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de besmetting het gevolg is van onbeschermde seks. Het hof heeft dus nog onvoldoende uitgesloten dat ieder slachtoffer zijn hiv-besmetting ook via onbeschermde seks had kunnen oplopen.”

In mijn blog over de zaak van oktober 2008 wees ik al op dit probleem van de bewijslast. Ondanks het feit dat de rechters het bewezen achten dat de verdachten opzettelijk besmet bloed hebben geïnjecteerd in een aantal slachtoffers, valt namelijk niet uit te sluiten dat die slachtoffers zelf op dat moment al besmet waren, of later op een andere manier besmet zijn geraakt. De meeste slachtoffers zijn door de verdachten benaderd via een erotische homo chatbox of op een homosex-ontmoetingsplek waar die slachtoffers seks zochten. Er valt dus niet uit te sluiten dat de slachtoffers op of via deze plaatsen op eerdere of latere momenten onveilige sex met andere mannen hebben gehad. De slachtoffers hadden bovendien ook een eigen verantwoordelijkheid bij de dates. Of, zoals advocaat Anker van de verdachten het verwoordde; "Het waren geen padvinders. Ze wisten dat ze niet naar een Tupperware-party gingen.” Zo was er bijvoorbeeld één slachtoffer die na de eerste seksdate met de verdachten, nog 5 keer terug kwam voor een nieuwe seksdate.

Dit lijkt op een afstand allemaal misschien wat hard naar de slachtoffers toe of ver gezocht. Maar omdat niet uit valt te sluiten dat de slachtoffers op een andere manier besmet zijn geraakt, kun je de verdachten de HIV-besmetting van de slachtoffers niet rechtstreeks aanrekenen. De Hoge Raad vindt daarom dus dat de zaak over moet en stelt dat er beter moet worden onderzocht of het bij ieder van de vier geïnjecteerde slachtoffers "hoogst onwaarschijnlijk" is dat ze op een andere manier dan door een injectie (door onbeschermde seks) besmet zijn geraakt. Dat klinkt prachtig en juridisch kloppend, maar het is nog maar zeer de vraag in hoeverre dit daadwerkelijk succesvol onderzocht kan worden. Als het zo makkelijk was geweest om aan te tonen dat de slachtoffers niet op een andere manier besmet zijn geraakt, dan had het OM dit waarschijnlijk destijds wel meteen gedaan om de advocaten van de verdachten, de gebroeders Anker, dit argument uit handen te nemen.

Tijdens de zaak bleek namelijk al dat je (weliswaar zeer beperkt) kunt kijken naar de vorm, kenmerken en eigenschappen van het virus. Maar zelfs al zouden die allemaal overeenkomen met het virus dat de verdachten bij zich dragen, dan nog valt niet uit te sluiten dat de slachtoffers toch langs een andere weg besmet zijn geraakt. Bovendien is "hoogst onwaarschijnlijk" een rekkelijk begrip dat op verschillende manieren geïnterpreteerd kan worden. Overigens betekent de uitspraak van de Hoge Raad niet dat de verdachten ineens vrijspraak staat te wachten. Want het opzettelijk injecteren met besmet bloed blijft overeind staan en dat kan nog steeds uitgelegd worden als poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiervoor had de rechtbank in Groningen eerder al 9 en 5 jaar cel opgelegd. De rechtbank in Leeuwarden hing in hoger beroep echter een stap verder en stelde dat de besmetting van de slachtoffers rechtstreeks gevolg waren van de injecties door de verdachten. Dit rechtstreekse verband haalt de Hoge Raad nu dus onderuit.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.