De Amerikaanse Republikeinse partij heeft een probleem. Ze willen de kiezer dolgraag iets verkopen, alleen het product kan nog wel wat reclame gebruiken.

Mitt Romney is het product en voor wat betreft de presidentsverkiezingen in november staat hij in de peilingen voorlopig nog achter op Barack Obama. De Republikeinse Conventie, die deze week in Tampa wordt gehouden, moet daar iets aan doen. Romney was vooraf al de enige Republikeinse kandidaat dus het hele driedaagse festival is een geoliede applausmachine, enkel en alleen voor Mitt. Het is verbazingwekkend hoeveel mensen uit alle hoeken van Amerika zijn getrokken om te vertellen over hun relatie tot het mooiste land op aarde, hun patriotisme, hun geloof in zelfredzaamheid, een kleine overheid, hun geloof in Amerika als baken van hoop in een wereld op drift, hun relatie met en geloof in Mitt als nieuwe president van Amerika…. En, uiteraard, over hun aversie tegen Barack Obama.

Er wordt veel gespeecht op de Conventie. De meeste toespraken zijn sentimentele, eendimensionale rommel. Sommige toespraken zijn oké, een enkele speech is ronduit goed. Het zijn vooral lekkere oneliners, alleen vaak te slecht geacteerd. Een echt goede speech? Mwoah…. Op het moment dat ik dit schrijf moet Mitt zelf zijn toespraak nog houden. Wie weet wordt het een fenomenale voordracht, maar de meeste Republikeinen weten diep in hun hart dat Romney niet een toespraak zal houden die in de top 3 van meest inspirerende politieke redes aller tijden komt. En dat Romney nooit die Big Communicator zal worden als de man die in 1980 president werd: Ronald Reagan.

Ik geef het maar eerlijk toe. Ik ben een enorm grote fan van Reagan. Niet toen hij president was – toen was ik vooral een domme puber die zijn gaven niet herkende. Wat ik toen zag was dat Reagan bezig was Amerika met een kolossale staatsschuld op te zadelen. Het politieke equivalent van ‘party now, pay later’. Maar hoe belangrijk was dat toen? Amerika had na de traumatische jaren zeventig (Vietnam, de liegende president Nixon, de gijzeling van ambassadepersoneel in Iran) veel zin in iemand die ‘the feel good factor’ weer kon opvijzelen. En Reagan gaf veel Amerikanen weer het gevoel terug dat het niet verkeerd was om trots te zijn op zijn land.

Wat ik weigerde te waarderen was de fenomenale manier waarop Reagan tot zijn publiek sprak. Nee, mét zijn publiek sprak. Voor de camera, voor een zaal met dertigduizend mensen, het maakte niet uit. Mitt Romney is geen Ronald Reagan. Wie weet wordt hij president en wordt hij ooit nog een begenadigd spreker. Ik denk het niet. Zoals iemand ooit tegen mij zei: “You can’t make a racing horse out of a donkey.” Je hebt het of je hebt het niet.

Ronald Reagan komt nooit meer terug. Ik las ooit in Time Magazine een ontroerende anekdote over de oud-president, vlak voor zijn dood in 2004, toen hij volgens de schrijver van het artikel al in ‘the twilight zone’ verkeerde, een eufemisme voor de ziekte van Alzheimer waaraan Reagan leed. Reagan woonde samen met zijn vrouw Nancy in een bungalow in Bel Air, een chique buitenwijk van Los Angeles. Om de oud-president bezig te houden, liet een beveiligingsagent Reagan de bladeren uit het zwembad halen met een lange hark. Een rustige bezigheid voor de patiënt. Toen de kruiwagen vol was en Reagan even niet keek, kieperde de agent de kruiwagen weer leeg in het zwembad. Reagan begon gewoon weer opnieuw. Zwijgend, afwezig, zich niet bewust. Een treurig verhaal, zeker als je het afzet tegen al die momenten waarop hij zijn acteertalent en taalgevoel losliet op een politieke toespraak, een uitgesponnen mop over de Sovjet-bureaucraten of gewoon een herdenkingsrede. Reagan was een fenomeen. Een zegen voor iedere goede tekstschrijver. Oordeel zelf met deze kleine verzameling.