AVROTROS

De plaag van de persvoorlichter

U denkt dat journalistiek een heroïsch vak is, waarin wij gehuld in regenjas in achteraf steegjes op de loer liggen om zaken die het daglicht niet kunnen verdragen aan de kaak te stellen? Helaas. Vandaag de dag is ons werkterrein grotendeels verschoven naar de kantoortuin, waar wij achter de telefoon zittend de wereld voor u proberen binnen te halen.

En achter de telefoon zitten, daar worden journalisten een beetje maf van. Ze gaan zich ergeren. Vooral aan die ene terugkerende persoon die ze maar niet kunnen ontlopen: De Persvoorlichter.

Alles en iedereen heeft tegenwoordig deze persoon in huis. Niet alleen de multinationals, de beurs genoteerde bedrijven maar ook ideëele clubjes en straks ook de bakker om de hoek. Zoals met alle verschijnselen in het leven heb je goede en slechte, aardige en botte, doorgewinterde types en de-net-met-een-glimlach-begonnen-voorlichter.

Ik snap best dat grote bedrijven een persvoorlichter hebben. En nogmaals, er zitten hele goede bij. Maar zo langzamerhand neemt het verschijnsel de vorm aan van een plaag. De persvoorlichter fungeert meer als een buffer tussen jou en het bedrijf dan dat het zaken afkomstig van de media voor een bedrijf in juiste banen leidt. Het wordt voor ons als journalisten een onneembare horde die je zou moeten doen afzien van verdere hink-stap-sprong op de hindernisbaan.

Veruit het meest irritant is De Persvoorlichter die alles op de mail gezet wil hebben. Na het eerste verkennende gesprek voel ik 'm al aankomen: '....maar zou u dan de vragen op de mail kunnen zetten, zodat ik de desbetreffende persoon kan voorbereiden (...)?'

En na het op mail gezet hebben van de vragen: 'Zijn dit alle vragen die u heeft? En trouwens, de persoon die erover gaat is er pas maandag. Vindt u het goed als ik tegen die tijd weer contact opneem?'

Zo verzandt menig verhaal in de bureaucratie van 'nog niet gelezen mailtjes'. Om nog maar te zwijgen over de gevolgen van het alles-op-mail-zetten. In een telefoongesprek kan je iemand persoonlijk om uitleg vragen. Dat geeft altijd de minste kans op miscommunicatie. 'U bedoelt dus, als ik het goed begrijp...?'

Op schrift krijgen vragen een hele andere dimensie. Ze zien er officiëler uit –hoewel ze meestal verkennend zijn, vaak bedoeld om een beter beeld te krijgen van de zaak- waardoor het antwoord, in het slechtste geval schriftelijk, een heel formeel, abstract karakter krijgt. Het komt het verhaal dat wij willen gaan vertellen niet ten goede. Vaak ben je na weken van heen en weer gemail, gebeld en navraag-doen niet veel verder. Wat werken toch veel mensen halve dagen; zijn er op vrijdag nooit; doen een sabattical; kunnen alleen gestoord worden tussen 16:15 uur en 16:30 uur en ga zo maar door.

Tegen die tijd ben je aardig gefrustreerd.

Soms belt dan De Persvoorlichter terug dat de persoon die jij zo graag had willen spreken, intussen naar je mail heeft kunnen kijken. 'Maar de vragen waren zo algemeen, dat hij zegt dat hij er niets mee kan. We willen je dus terugverwijzen naar het ministerie. Misschien weten zij meer.'

Tuut-tuut-tuut.

Uiteindelijk heb je soms meer het gevoel in een aflevering van The Office te figureren dan dat je baanbrekend journalistiek werk verzet.