In 42 Nederlandse musea staan zeker 170 kunstvoorwerpen die mogelijk rond de Tweede Wereldoorlog van Joodse eigenaren zijn geroofd. Dat blijkt uit jarenlang onderzoek van ‘Museale Verwervingen vanaf 1933’, meldt dagblad Trouw. Deze organisatie spoort deze ‘roofkunst’ op en probeert ervoor te zorgen dat het wordt teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren of hun erfgenamen. 

Tussen de mogelijke roofkunstobjecten zitten bekende werken zoals aquarellen van de Russische schilder Wassily Kandinsky, in bezit van Stedelijk Museum Amsterdam, en verschillende doeken van Nederlander George Hendrik Breitner. Ook het schilderij ‘Salomé met het hoofd van Johannes de Doper’, dat in het Rijksmuseum hangt, is mogelijk van Joden geroofd.   

Het schilderij Bild met Häusern is een kunstwerk met mogelijk problematische afkomst.

Kunst met ‘mogelijk problematische herkomst’ 

“Net als bijna alle Nederlandse musea moeten wij onze hele collectie nagaan en uitzoeken of onze werken rechtmatig verkregen zijn”, zegt een woordvoerder van het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, waar dit weekend een tentoonstelling over ‘Boijmans in de oorlog’ wordt geopend. “Ook bij ons zijn kunstwerken ontdekt waarvan de herkomst mogelijk problematisch is. Enkele werken zijn teruggegeven en in bruikleen van het museum. Eén werk ligt nog bij de Restitutiecommissie.” 

Luister & lees ook:

Deze commissie zal advies uitbrengen of en hoe het werk bij de erfgenaam terecht kan komen. Het gaat om het schilderij ‘Berglandschap met de boomstronk’ van Jacob van Geel. 

Nazi’s roofden op grote schaal kunst 

Kunstroofdeskundige Arthur Brand vindt het niet meer dan rechtvaardig dat de werken teruggaan naar de rechtmatige eigenaren of erfgenamen. “Op Twitter vragen sommigen zich af of dat nou wel nodig is, 75 jaar na dato”, aldus Brand. “Maar als je bedenkt dat de nazi’s voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog op grote schaal kunst roofden, en er heel goed in waren om daarbij een sfeer van legitimiteit bij te creëren, dan kun je gewoon niet anders.” 

‘Nabestaanden liepen tegen dichte deur aan’

De nazi’s namen de kunstwerken op onrechtmatige wijze van Joodse eigenaren af of kochten ze voor een te lage prijs. In veel gevallen gaat het ook om kunst die Joden achterlieten omdat ze moesten vluchten. “Joden die het land uit wilden moesten ook opeens hoge belasting betalen, toevallig vaak ongeveer het bedrag wat een kunstwerk dat ze in huis hadden hangen waard was”, zegt Arthur Brand, die in zijn tv-programma ‘De Kunstdetective’ laat zien hoe hij gestolen kunst weet op te sporen. “Bij het terugvorderen van hun kunstwerken zijn nabestaanden vaak jarenlang tegen een dichte deur aangelopen. Nederland was tot een jaar of 10 terug niet erg behulpzaam”, aldus Brand. 

Alle musea inventariseren collectie op roofkunst

Rond 2008 leek het erop dat Nederland geen vergaarplaats was van kunstwerken uit joods bezit. Slechts acht voorwerpen werden aangetroffen, meldde Museale Verwervingen. Toen werd alleen gezocht naar de herkomst van objecten die tijdens en kort na de oorlog werden verworven, van 1940 tot 1948. Sinds dat tien jaar geleden is uitgebreid naar zoeken vanaf 1933 inventariseerden vrijwel alle Nederlandse musea hun eigen collectie om geroofde werken te traceren. Nu blijkt het om 170 mogelijke roofkunstobjecten te gaan. Alleen het Rijksmuseum Amsterdam heeft door zijn grote collectie meer tijd nodig.

Als een museum ontdekt dat het roofkunst in bezit heeft, adviseert de Museumvereniging op zoek te gaan naar de oorspronkelijke eigenaren of hun erfgenamen. Als een rechtmatige eigenaar zich meldt, onderzoekt de Restitutiecommissie of het werk teruggegeven moet worden.