Natuurlijk: de vijf kilometer-rit van Sven Kramer en Jorrit Bergsma was afgelopen zaterdag een juweeltje in Heerenveen. Zelden Kramer zo euforisch gezien, maar ja, als je achtentwintigers gaat rijden in het slot van die afstand… 

Wereldklasse.

En natuurlijk botste het van warme gevoelens bij het uitzwaaien van Diane Valkenburg, Wouter Olde Heuvel en de tot monument omgebouwde Bob de Jong. En uiteraard was dat ook weer een schaatshoogtepunt voor de bijna eeuwigheid.

En natuurlijk reed Kjeld Nuis alle frustraties van zich af met al die doping-verhalen van die Russen in zijn achterzak en kleurde hij de zaterdag dus ook mooi in, maar….

Maar…ik was op vrijdag in Thialf. Op Vrijdag dus, de eerste dag van dat befaamde, min of meer gehate (bij de atleten), toch wel weer geld opleverende (bij de atleten) toernooi dat Finale World Cup heet: de Mosterd-Na De-Maaltijd-Cup.

Vrijdag straalde er verveling van alles en iedereen vanaf. Vanaf kwart over vier tot en met zeven uur werd het publiek verveeld met helemaal niets; tochtvlagen, stiltes, nauwelijks te verstane omroepsters die rijders en rijdsters aanspraken met hun voornamen en een programma dat zo dun was dat je het publiek eigenlijk hun geld terug diende te geven.

Twaalf sprintjes op de 500 meter, de altijd in een soort sur place staande 3 kilometer voor vrouwen waar bedroevende tijden werden gereden, drie (3) ploegen voor de vrouwen teamsprint (een enorme aanfluiting) en vier (4) mannenploegen voor de achtervolging. Samen met een altijd oubollig en te lang durende openingsceremonie (inclusief Wilhelmus) en vreselijk lang durende prijsuitreikingen waar nauwelijks iemand naar keek was dat zo ongeveer het magerste programma ooit in Heerenveen vertoond.

Op enig moment hield het op; de toeschouwers keken elkaar aan. Dit was het dan, je mocht naar huis. Bijna drie uur had ik een houten kont zitten oplopen om pakweg drie kwartier schaatsen te mogen bekijken.

Wie dit bedacht heeft bij de ISU moet strafwerk maken.

Er zaten, in mijn omgeving, mensen die voor het eerst naar “live” schaatsen waren komen kijken. Ze waren niet eens teleurgesteld, ze waren licht boos: moest je hier drie uur voor in de auto zitten, voor deze tijdverspilling? Ja, die schaatsers reden wel hard en het ging toch sneller dan je thuis op de tv kon zien, maar waarom al die geweldige pauzes en stiltes in de zaal?

Kijk, Thialf is een bouwput waar de ongezelligheid vanaf spat. Je moet naar buiten, uit het gebouw dus, om een bakje koffie of een Berenburgje te gaan doen, het is er koud, het tocht, de geluidsinstallatie staat op niveau “Roemeense sporthal anno 1973”, informatie over wat er gebeurt, of een duidelijke tijdlijn van het programma krijg je nauwelijks….dus?

Gelukkig dat ik, na afloop, in een zacht vallende schemer, tegen het hoogste ISU-lid van Dietschen Bloed, Jan Dijkema, opliep. Deze optimist-van-huis uit is nog van het snit van sportbestuurders van een halve eeuw terug. Een prettige man om mee te babbelen, maar ietwat streng in de leer en stuitend naïef.

Neen, hij vond het programma niet echt goed en ja, misschien was de publieke opkomst wat aan de magere kant, maar of ik de toeschouwersaantallen in Kolomna wel had gezien en hij kwam direct doorgereisd uit Shanghai waar de zaal vol zat bij het kunstrijden en de shorttrack, dus zo beroerd stond die schaatssport er helemaal niet voor. Mondiaal leefde het geweldig. Ik wilde nog iets zeggen over een doodse, lege hal in Zuid-Korea, maar hield me in.

Ach Jan, arme Jan, dacht ik. Je moet toch wel met heel gekke voorbeelden en cijfers komen om dit klungelige, aftandse amateurisme te willen verdedigen.

Er was helemaal niets te zien geweest op deze vrijdag; het stelde he-le-maal niets voor en mensen liepen balend en hoofdschuddend naar huis.

Neen, het schaatsen was springlevend, zei de lieve Jan. Hij had mooie races gezien. Hij verdedigde de smeltende iglo van het lange baanschaatsen uit alle macht. Hij noemde mij een opstandige journalist of zoiets. Hij sprak goed wat niet goed te praten was: het organiseren van zo’n eerste dag, waar mensen God betere het, ook nog meer dan 20 Euro p.p. voor moesten betalen, was een sportieve kwelling voor alle betrokkenen.

Maar als het volkslied nou maar op tijd gespeeld werd, als de prijsuitreiking 3000 meter dames nou maar plaats vond zonder winnares (de schatten van omroepsters riepen nog wel de naam van Sablikova om, maar om welke reden de spichtige Tsjechische er niet was, werd niet vermeld) en als de hapjes en drankjes in de VIP-tent nou maar op tijd genuttigd konden worden, dan kwam alles goed.

De ISU zal angstig hard moeten gaan investeren in een moderne, korte uitvoering van haar World Cup ontmoetingen. Om deze wedstrijdorganisatie aan een bouwput te geven, was een vergissing. Ook de KNSB, met een tekort van 2.9 miljoen euro, zal moeten gaan nadenken hoe schaatsen opnieuw aan het publiek verkocht kan gaan worden; aan het nieuwe publiek wel te verstaan. Immers ik, al fan vanaf de jaren zeventig, ben Het Voorbeeld van de Vergrijzing. Ik klim nog wel de tribune op, ik laat me nog wel beledigen…dat doen mijn kinderen al lang niet meer. Die kijken op internet heel even naar de uitslagen en missen dan Jan met zijn openingswoord.

De gebreide truienclan die nu binnen was en die nu nog altijd klapte voor Frau Pechstein, omdat die nou eenmaal bij de inboedel van zo’n toernooi hoort, komt ook als alleen de deuren van Thialf opengaan. Die feestpakkengroep komt altijd, maar sterft ook langzaam uit en wordt achter de hal begraven. In koude grond.

Hoewel ik nu, bij binnenkomst een shawl en een paar grappige handschoentjes van de evenementsponsor aangeboden kreeg, bleef ik het koud hebben. Ter opfleuring van de feestvreugde werden die dingen uitgedeeld. Hoe bedenk je het?

Zet hier jonge marketeers en sportbazen op, investeer heel veel geld, maak een kort en leuk programma en het komt allemaal goed. Dat schaatsen krijgen we toch niet uit ons DNA, wel dat gevoel van schimmel en verveling en plaatsvervangende schaamte.