Eén van de moeilijkste dingen in de politiek is om aan te geven op welk moment iets omsloeg. Dat komt omdat een politiek besluitvormingsproces nog het meest op een grote kluwen wol lijkt, waar de kat woest mee gespeeld heeft. Met heel veel gefriemel achteraf lukt het je misschien zo’n bol weer in het gareel te krijgen. Toch denk ik het omslagmoment waarop het met de VVD weer goed ging vrij nauwkeurig te kunnen traceren.

Het was bij het belangrijkste debat van 2009: de algemene beschouwingen naar aanleiding van de Prinsjesdagvoornemens van het laatste kabinet-Balkenende.

Er werd niets besloten, het vorige kabinet stond toen al in de slaapstand. Ambtenaren moesten maar zeggen hoe Nederland moest gaan bezuinigen – en ze mochten nog maanden doen over hun rapporten. Al die tijd stond de beslismachine stil, geregeerd werd er niet. Mark Rutte ging er als oppositieleider hard in.

Balkenende werkte zich plichtmatig door de stapels papier heen, hij las ze keurig netjes voor. “Weet de minister-president nog wat hij zojuist heeft voorgelezen”, vroeg Rutte. Het werd doodstil in de zaal met de blauwe stoelen. Dit was hard, zeker voor Nederlandse parlementaire gebruiken. Die zijn hier immers veel kleffer dan in Duitsland, Engeland en Amerika. Maar de kijker herkende de gemeende ergernis die erachter zat.

Het onbegrip bij Rutte dat de crisis eerst door het kabinet was weggewoven, tegen overduidelijke signalen in. En de boosheid dat het kabinet zijn verantwoordelijkheid niet nam en niet regeerde. Louter en alleen omdat CDA en PvdA finaal op elkaar uitgekeken waren en ze elkaar bovendien niet vertrouwden.

Achteraf zeg ik: dát was het omslagmoment. De kiezer zag dat het menens was. En verder nam hij waar dat Rutte –hoewel de media anders beweerden- wel degelijk ook hard en scherp kon zijn. Dat de VVD toen bovendien juist als betrouwbare bestuurderspartij een motie van wantrouwen indiende omdat we de besluiteloosheid en lamlendigheid écht spuugzat waren, deed de rest.

Het kabinet zou vervolgens ineenzijgen over de Nederlandse inzet in Uruzgan, maar in de bus en op verjaarsfeestjes bleef het in toenemende mate over de economie en over onze portemonnaie te gaan.

Op dat terrein weten kiezers dat ze de VVD kunnen vertrouwen. Inmiddels is (na een veel te lange formatie overigens) dat vertrouwen nu omgezet in een kabinet met een liberale premier.

Politiek is boren in hard hout, zei de Duitse wetenschapper Max Weber honderd jaar terug. Maar af en toe stuit je op een barstje en kun je flink doorboren.

Ton Elias, kamerlid VVD