2011 zal de boeken in gaan als het jaar waarin de Euro haar ernstigste crisis tot dan toe heeft beleefd. De Europese burgers betalen de prijs voor de grenzeloze en daarmee onverantwoorde ambitie van zijn politieke leiders. Een munt hoort bij een land. Maar Europa is geen land: het is een continent met veel heel verschillende landen.

In die februaridagen van 1992 stonden wij aan de poort van het gouvernement in Maastricht. Wij stonden daar – nu bijna twintig jaar geleden – om te demonstreren tegen het Verdrag van Maastricht dat daar in elkaar gespijkerd werd. Voor ons was kraakhelder dat dit verdrag een geste was aan het Europese bedrijfsleven, in het bijzonder de multinationals. Die vonden al die grenzen maar niks, slecht voor de handel. Ze staken toen al niet onder stoelen of banken dat ze naar een Verenigde Staten van Europa wilden, met één regering, met één president, één markt en één munt. Verenigd in het ietwat geheimzinnige genootschap De Ronde Tafel van Industriëlen bekokstoofden ze hoe ze de politiek op de rug zouden krijgen. Want er moest natuurlijk wel wat overwonnen worden. Immers, wat zou er overblijven van de democratie in die superstaat Europa? Hoe zou het volk nog iets te zeggen houden?

Zonder dat die laatste vraag werd beantwoord, namen de politici vrijwel zonder uitzondering de agenda van het bedrijfsleven over. De grootste monetaire operatie in de geschiedenis van de mensheid kon van start gaan. Die ene markt en die ene munt kwamen er.

Maar boontje kwam om zijn loontje. De roekeloosheid van de politici werd afgestraft door de wetten van de werkelijkheid. Eén munt voor één land stelt dat land in staat om monetair beleid te voeren, de munt op te waarderen of te devalueren. Dat middel werd de lidstaten uit handen geslagen. Dat is wat Griekenland en Europa nu – naast andere zaken – de das om doet.

Idealisme is mooi, maar wanneer idealen niet eerst door de zeef van het realisme gaan, kunnen ze omslaan in hun tegendeel.