Het is precies 73 jaar geleden dat Japan capituleerde. Het Museon in Den Haag roept op de herdenkingsdag op om memorabilia uit Japanse interneringskampen in Indië vooral niet weg te gooien. Zelfs als ze onbelangrijk lijken. Het Haagse museum, en enkele anderen, kunnen aan de hand van deze voorwerpen de verhalen van de oorlog vertellen. 

Het is niet uniek dat een museum zo'n oproep doet. Het Rijks Instituut voor Oorlogs Documentatie (het RIOD), dat snel na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht, begon ook met een oproep. Directeur Loe de Jong was te horen in reclamespotjes, en in postkantoren hingen affiches met de oproep. Mensen werden gevraagd vooral documenten die herinnerden aan de oorlog aan te leveren. In 1947 was te zien wat voor succes dit had.

Een enorme hoeveelheid aan onder andere documenten, boeken en brieven kwam uiteindelijk binnen.

Goede geschiedschrijving

David Barnouw was 25 jaar werkzaam voor het instituut dat nu het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie heet. Volgens hem brachten niet alleen burgers, aan wie de oproep gericht was, hun spullen. Ook overheidsinstanties wiens gegevens eigenlijk in het Rijksarchief moesten komen, kwamen bij het NIOD uit. "Het belang van goede geschiedschrijving over de oorlog werd zo hoog geacht dat er van de archiefwet afgeweken werd." Ook waardeloze paperassen uit geplunderde huizen van NSB'ers werden bij het RIOD ondergebracht.

Nu nog boeiende dingen op zolder

Omdat het RIOD als archief niet echt geschikt was voor het opslaan van spullen anders dan papier, heeft het instituut de spullen ondergebracht bij musea. Zij gingen in de loop der tijd ook aandacht besteden aan de oorlog. Nu, 73 jaar na de oorlog,verwacht Barnouw dat er mogelijk nog wel boeiende dingen op zolder bij mensen liggen. "Er moeten dagboeken zijn van mensen in kampen, die bij mensen thuis liggen. Die kunnen een beter beeld geven over dat deel van de oorlog."