De Nederlandse samenleving, maar nog veel meer de politici, houdt zich nu al zo’n 5 jaar bezig met Uruzgan. Met vragen als ‘gaan we wel, gaan we niet?’; ‘ Is het voor 2 jaar of toch langer?’; ‘Nog een keer verlengen of toch maar niet?’; ‘Zijn we alleen solidair binnen Europa of NAVO of niet?’; ‘Vertrouwen wij erop dat een ander land het overneemt, of niet?’

Allemaal vragen die de afgelopen jaren onderwerp van discussie zijn geweest en dat eigenlijk nog steeds zijn. Militairen, de mannen en vrouwen die het werk moeten opknappen, reageren doorgaans met de constatering dat veel Kamerleden extreem goed zijn in “neuzelen”, - en vaak niet weten waar het over gaat. Velen denken dat ondanks de werkbezoeken van Kamerleden, zij nog steeds geen goed beeld hebben. Dat heeft ook te maken met het feit dat militairen in gesprekken met Kamerleden het achterste van hun tong niet willen of mogen laten zien.

Uruzgan. Vanaf het begin hadden wij kunnen weten dat 2 of 4 jaar Uruzgan tekort is om die majeure verandering die wij kennelijk zo graag willen, tot stand te brengen. Dat hadden wij allemaal kunnen weten als we de harde lessen van en uit het voormalige Joegoslavië ter harte hadden genomen.

Nederlandse militairen zitten al ongeveer 19 jaar in Bosnië en nog zijn daar niet alle problemen opgelost. En dat moeizame proces zal daar nog wel de nodige jaren vergen. Hoe naïef moet je zijn om te denken dat het dan in Uruzgan in twee of vier jaar wel zal lukken?

Wij zijn naar Uruzgan gegaan om daar zo mogelijk te zorgen voor verbeteringen op tal van terreinen. Wij hielden er rekening mee dat het moeilijk zou, dat het levens zou eisen en veel gewonden en dat de vooruitgang tergend langzaam zou zijn. Veel mannen en vrouwen die ik spreek na een uitzending vinden dat zij daar goed werk doen. Een jongen vertelde toen ik vroeg of daar nou verbetering zag: “toen ik daar in 2000 was, zag je bijna geen vrouwen of meisjes op straat, geen meisjes op school, angst in de ogen van mensen et cetera…. Ik ben er weer geweest en nu gaan er meisjes naar school, zie je vrouwen op straat. Voel je iets van vrijheid bij de mensen. Dat kleine beetje is voor mij nu genoeg, alles kan niet ineens”.

Of wij daar langer blijven, dat is een zaak van de politiek. Eén ding wil ik de dames en heren politici wel meegeven. Als zij besluiten dat het eind 2010 is afgelopen met onze bijdrage in Uruzgan, zonder adequate vervanging te regelen, dan zal men daar redelijk snel weer vervallen in de barre omstandigheden die wij daar aantroffen in juli 2006. Dan moet wij constateren dat alles voor niets is geweest! Voor niets 21 collega’s verloren, voor niets vele tientallen collega’s gewond. Die fantastische Kamerleden mogen dat dan uitleggen aan de familie van militairen die daar zijn omgekomen of (ernstig) gewond zijn geraakt. Tenminste als zij dat lef hebben!

En bedenk: het Afrika waar minister Koenders voor Ontwikkelingssamenwerking ons zo graag wil inzetten is zeker niet veiliger dan Uruzgan. Uiterst bedenkelijk zijn ook de uitlatingen van PvdA Kamerlid Van Dam die het heeft over “zijn Congo”. Die man gedraagt zich als een moderne WARLORD en vergeet dat het Nederlandse leger niet bestaat voor zijn persoonlijke hobby. Als hij zich als “koloniaal” wil gedragen dan moet hij zijn eigen leger maar kopen. Maar niet van Nederlands belastinggeld.

Laat ons het werk in Uruzgan afmaken uit solidariteit met de Afghaanse bevolking. Dezelfde solidariteit die de geallieerden ons toonden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Jan Kleian is voorzitter van de ACOM, vakbond voor Defensie-personeel

Militaire vakbond: ‘Laat ons het werk in Uruzgan afmake