Als angst en terreur de pijlers van onze hedendaagse samenleving zijn of worden, wat dan?

In Brussel lassen ze een Mars af. Angst voor terreur of de terreur van angst.

Vijftig kilometer verderop fietsen ze door het Vlaamse land; de fans gloeien bij het aanschouwen van de coureurs, de Kemmelberg ligt er mooi bij vandaag. 

Wat heb ik met angst en terreur van doen gehad in de achter me liggende dagen?

Hoe heeft het een rol gespeeld in mijn leven?

Heeft het me geraakt?

Heb ik de begrippen de kans gegeven te gaan leven?

Brussel deze bezag ik matter of factly. Wel met compassie in mijn gedachten, wel met iets van zure afkeer tegenover die hufters die dit deden, maar het drukte mijn geweten niet samen.

Ik keek, oordeelde nauwelijks, luisterde, las en dacht na.

Waarom?

Hoe lang nog?

Toen ging onze Verlosser dood.

Een andere rouw viel over ons; een grijssluier van prettige herinneringen, fraaie beelden van weleer; we verloren niet ons leven, maar daar ging onze jeugd. Voor heel velen was dat even flink slikken; een herinnering ging verloren, of beter, zweefde van ons weg. Sterfelijkheid kreeg een rugnummer. Van angst was geen sprake; de gevoelens waren liefdevol, ontdaan van haat. In zelftroost zit iets onbeholpens, maar dat maakt het weer zo prettig.

In de USA orakelde Donald Trump door, slechts buitengemeen scherp gecounterd door een jonge journalist, Brendon Stanton, die ons duidelijk maakte dat ’s mans gifpijlen op de wereld uitsluitend contraproductief zullen werken en ter meerdere glorie van de man zelf ingezet zijn. Haat begint met giftige teksten van dit soort orakels. Dan komt terreur, dan weer angst.

Wat ik op zaterdag deed? Ik was in Deventer en maakte een warm, bijna heilig moment mee toen een wieler-literaire avond overging in een gloeiende blues waarin alle aanwezigen, klappend, dansend, blij, opgewonden en verheugd in een ongeregistreerde opwelling van klanken en gevoelens blij stonden te zijn. 

De ex-wielrenners Rob Harmeling en Peter Winnen, met de artiesten van Ocobar, Rick de Leeuw en Alex Roeka zorgden voor zeven minuten puur afreageren; de zaal stond op zijn kop. We waren allen mens en gelijk en het voelde zo goed, zo verschrikkelijk goed. De blues won, zoals zo vaak.

Waar terreur?

Waar angst?

Sodemieter op met het doemdenken, met dat gifgroene gevoel van verderf, dat we niet wilden toestaan op deze avond.

Op weg naar huis. Eerst Adele, later Met het Oog, vervolgens Gé Reinders die vertelde over zijn simpele “Bloasmuziek”. Ontroerend mooi en te begrijpen. Dit was het leven dat we wilden; gewone dingen, een Afflighem in de hand, een glimlach bij een vertelling van een ander.

Terreur heeft geen glimlach, angst al helemaal niet.

Tot drie uur keek ik naar Oregon en Oklahoma…ja, Amerikaans college basketbal…er zijn mensen die dat interessant vinden; Oklahoma won…lekker belangrijk. Daarna viel de nacht om een uur korter weer op te lichten. E-mails beantwoorden, de elektronische krant, uitslagen, interviews lezen, zondagochtendkoffie en een hoopvolle wens van verre; van een vriend. 

Nergens angst, nergens terreur. Ik wilde het even niet in mijn omgeving toelaten, terwijl ik niet blind was. Ik was het voor even zat en zocht naar de sfeer van prettig, naar de kleine geste, ook naar het warme, het vertrouwde en het simpele. 

De Mars tegen de Angst was afgelast. 

De ultieme knieval voor angst en terreur.

Toen ik dat las en probeerde na te denken hoe de besluitvorming daaromtrent had plaats gevonden, kwam ik terug in de wereld van nu. Angst regeert, angst, een eigenschap bij mensen die de mens zelf gecreëerd heeft. Bang zijn voor de ander die jou iets ontneemt; wat het ook is. 

Ook gevoel. Ook waardigheid. Zelf twijfel.

We kunnen, om welke reden dan ook, onze negatieve gedachten en gevoelens niet indammen of een andere richting geven. Soms werkt een tegensentiment: collectieve rouw, de blues, Bloasmuziek, de stilte van de Paasmorgen, een opwekkend bericht van een vriend. Iemand die zegt dat de tulpen er mooi bijstaan. De kleinkinderen die zich opmaken om eieren te gaan zoeken. Zoals wij deden, zo lang geleden.

Dan opent de echte wereld zich weer. Zacht wordt hard. Contouren worden weer scherp. Ik zie een foto van een Israëlisch soldaat die een Palestijn doodschiet. Op straat, waar iedereen bijstaat. Het wachten is op het bericht van een bomaanslag ergens op de wereld. Oog om oog…  

Dit kan niet, maar het gebeurt. 

Hoe was het gedrag van lemmingen ook al weer?

Waar is die afgrond?

Dat moet toch dichtbij zijn nu.

En waarom doen we dit alles?