Een paar weken geleden had ik een filmpje gezien van de aankomst van de eerste vluchtelingenstroom in Canada. Het opvallende aspect toen: de rol van Canada’s eerste burger, premier Trudeau.

Hij stak letterlijk zijn handen uit de mouwen en hielp mee met het koffie of thee inschenken en het uitdelen van kledingpakketten voor mensen die hem met enige angst vermengd met verbazing aankeken en ook niet wisten wat ze moesten doen.

Het waren beelden waarna je even op de plaats rust werd gezet; ja, iets van vervreemding zat erin verpakt. Je vergeleek Trudeau met Rutte, je dacht meteen “da’s nou een mooie stunt van zo’n jonge politicus, hier scoort hij fraai mee, schijnbaar makkelijk spelen voor de eretribune” en andere licht cynische gedachte die de moderne westerling heel makkelijk en veel te snel hanteert om het geweldig grote vraagstuk rond de vluchtelingen een goede plaats te geven.

Op zaterdagavond kreeg ik een ander beeld voor ogen. “Live” om het eenvoudig te zeggen. Ik zat in een vliegveldhotel in Dorval, de voorstad van Montreal in Canada, op doorreis naar vrienden in Vermont, de noordelijke staat in de USA dus.

Ongeveer tegelijkertijd mijn mijn binnenkomst werden drie of vier families vluchtelingen binnen gebracht: mannen, vrouwen en kinderen. Hun afkomst? Ik hield het op Syrië, maar iets weerhield me ervan hen dat te gaan vragen, hoewel ik fysiek misschien twaalf meter van hen vandaan zat en geïnteresseerd was in hun doen en laten.

Ik vond mijn toekijken al bijna impertinent.

De mannen droegen net aan hen uitgereikte dikke jassen met bontkraagjes, de vrouwen droegen allen hoofddoeken en hokten stilletjes tezamen en de kinderen waren moe en jengelden en keken met grote, verbaasde ogen hun nieuwe wereld in.

De groep van een ongeveer twintig mensen zou de volgende dag doorvliegen, nam ik aan, met een extreem vroege ochtendvlucht en om hen daarbij te helpen waren leden van het Canadese Rode Kruis in touw. In Canada heeft men de ruimte nietwaar. Geestelijk zeker ook en ook qua land; velen uit de probleemgebieden worden hier goed opgevangen en geholpen.

Terwijl een Arabisch sprekende vrouw in een winterjack van het Rode Kruis vertaalwerk deed kregen de kinderen hun eerste drankjes: een soort Canadese Fristy. Om de kleintjes te zien, om hen naar de pakjes drank te zien kijken, om hen de voorzichtige eerste slokjes te zien nemen vroeg aanpassing in mijn manier van denken en oordelen in dit levensgrote probleem waarmee de hele wereld te maken heeft.

Het ontroerde. En niets anders dan dat. Terwijl de tolk-vrouw de menukaart vertaalde, liepen de kinderen van tussen de vier en acht jaar al door elkaar heen, speelden met gekregen knuffelberen (wat dat betreft doen de Canadezen het net zoals wij) en zaten lekker te drinken. De vluchtelingenmoeders bleken grote moeite te hebben met de keuze van avondmaaltijd en vroegen van alles over wat ze voorgezet konden krijgen. Konden en mochten ze het eten? Kenden ze het? 

Elders liepen twee Rode Kruis medewerkers hun onopvallende humanitaire werk te doen. Twee mannen van in de zestig, duidelijk herkenbaar aan hun Rode Kruis-kleding, probeerden uit te leggen, lieten papieren zien, hielpen bij het invullen ervan, droegen nog meer te drinken voor de kinderen aan, hadden zachte woorden voor de vermoeide mannen die ze een hand op de schouder legden…

Zo zag het er dus uit. Ik had te veel giftigs gelezen, te veel via de televisie gezien en ik had nooit gezien hoe het er werkelijk aan toe ging. De werkelijkheid zag er anders uit: De ene mens hielp de ander.

Waarom?

Omdat het moest.

Hier was een groep mensen bijeen dat sjofel gekleed, waarschijnlijk hongerig en moe, de eerste stappen in hun nieuwe bestaan zette en rond hen hielpen vrijwilligers op een manier die je van vrijwilligers verwacht: met zachte hand, met compassie en geduld.

Jankende kinderen werden even opgetild en getroost. Er werd brood gesneden en geproefd, de vertaalster bracht even later hapjes op tafel die met gelach en instemming ontvangen werden; de mensen herkenden zaken van thuis; vijftien uur vliegen hier vandaan.

De mannen begonnen nu ook te eten, maar de vrouwen, nog steeds dichtbij elkaar zittend, toonden hun twijfel?

Dit ging een half uur nog door en ik zat er, wachtend op mijn hamburger en Samual Adams biertje, letterlijk vlak naast. En ik zag hoe die vrijwilligers te werk gingen. Het was zaterdagavond, bijna acht uur. In de bar van het hotel keken mensen naar ijshockeybeelden op de televisie: Ottawa won van Toronto.

Buiten sneeuwde het en was het koud. En die mensen met die Rode Kruis jacks aan hielpen, sjouwden, vertaalden, deden dingen voor, lachten, waren aardig en stelden de nieuwe landgenoten op hun gemak. Zonder mokken of maren, zonder aanmerkingen van buitenaf, zonder politie voor de deur. Zij deden dit omdat ze zich ooit hadden opgegeven voor dit werk: het helpen van anderen.

Het was prachtig dat groepje medeburgers aan het werk te zien, bedacht ik.

Zij deden wat blijkbaar een hele hoop westerlingen niet goed op kunnen brengen. Natuurlijk, ook bij ons in Holland waren er vele mensen die dit o zo nobele werk op deze manier deden, maar ik zag het nu ineens van heel, heel dichtbij en het ontroerde me.

Hier was even geen plaats voor cynisme, zelfs geen twijfel waar dan ook over.

Dit was wat het was: de ene mens dat een ander hielp.

Ik raad U aan, als U dit gelezen heeft, aan deze tekst te denken als er een collectebus voor het Rode Kruis langskomt. Niet alleen voor die vluchtelingen maar ook voor die vrijwilligers die hun werk kunnen doen. Ik heb met eigen (soms verbaasde) ogen gezien hoe dat gebeurt. En ja, soms had ik een wat troebel beeld: vocht voor de lens, zeg ik eerlijk.