Vandaag vieren we 62 jaar vrede in ons land. De oorlog die in 1945 eindigde, kostte 250.000 Nederlanders het leven. Onder die doden zijn ongeveer honderd geheime agenten. Zij spioneerden en saboteerden voor de bevrijding van ons land en moesten dat met de dood bekopen. Ongeveer honderd geheim agenten overleefden de oorlog. Slechts een paar zijn er nu nog in leven. Allemaal zijn ze de tachtig ruim gepasseerd. Op 3 mei hielden ze hun laatste reünie. Wij mochten erbij zijn.

Hoe kijken deze mannen -je mag ze van mij ook helden noemen- na meer dan zestig jaar terug op de oorlog? Hoe zien ze hun eigen rol daarin? En waarom stoppen ze nu met hun reünie?

Met deze en andere vragen melden we ons op deze stralende meidag bij Bronbeek, het tehuis voor oud-militairen in Arhnem. Hier wordt de laatste bijeenkomst gehouden van wat officieel heet: 'De stafleden en agenten van Bureau Inlichtingen en Bureau Bijzondere Opdrachten en medewerkers uit verzetsgroepen'.

Als koningin Wilhelmina in mei 1940 naar Engeland vlucht om daarvandaan eigenhandig leiding te geven aan de Nederlandse regering in ballingschap, besluiten honderden Nederlanders haar te volgen. Weg uit bezet Nederland, op naar Engeland! Per boot over de Noordzee, per fiets via Vichy-Frankrijk en soms zelfs via Amerika of Suriname bereiken honderden zogenoemde Engelandvaarders uiteindelijk Londen.

Daar groeit gedurende de oorlog het besef dat Nederland een nieuw netwerk van geheime agenten nodig heeft. En zo ontstaan Bureau Inlichtingen (B.I.) en Bureau Bijzondere Opdrachten (B.B.O.) Bij B.I. worden enkele tientallen Engelandvaarders getraind in het doorseinen van berichten. Ze worden vervolgens met zendapparatuur gedropt boven Nederland en moeten dan contacten onderhouden tussen het verzet in Nederland en de regering in Londen. Bureau Bijzondere Opdrachten is belast met sabotage: het opblazen van spoorwegen en ook het doodschieten van Duitsers.

Over dat laatste wil agent Jaap Hinderink (83) liever niet praten: "Oorlog is oorlog, dus er gebeurde nare dingen. Die moest je doen en daar sta ik nog steeds achter." Wel vertelt Hinderink dat hij na de oorlog maar moeilijk aan de vrede kan wennen. "Zelf had ik er wel een beetje moeite mee. Tegenwoordig word je begeleid. Maar toen niet." Hinderink vertrekt naar Brazilië maar daar begrijpt niemand wat hij heeft meegemaakt. Later lijdt hij aan wat je tegenwoordig een posttraumatische stress stoornis zou noemen. Hij is erg angstig, trilt en durft soms de straat niet meer over te steken. Hinderink haast zich te zeggen dat hij daar nu geen last meer van heeft. Da's mooi meegenomen, na 62 jaar, denk ik.

Bram Grisnigt (83) moet als agent van Bureau Inlichtingen verbindingen tussen Nederland en Engeland opzetten. De Duitsers pakken hem in februari 1944 op en hij belandt in kamp Ravensbrück. 20.000 mensen komen daar om. Bram overleeft het kamp en wordt in april 1945 door de Russen bevrijd. Hij is dan helemaal klaar met de oorlog. En met Nederland. "Ik heb meteen geprobeerd afstand te nemen. Ik ben met mijn vrouw naar Curaçao verhuisd en ben pas na 19 jaar naar Nederland teruggekeerd."

Op een gezellige reünie zitten de agenten de eerste decennia na de oorlog dus niet bepaald te wachten. Bovendien kennen de mannen die vandaag samen zijn elkaar tijdens de oorlog natuurlijk niet. Daar waren het geheime agenten voor. Pas later komen ze met elkaar in contact. Dan wordt ook duidelijk hoeveel geluk ze hebben gehad: van de 180 geheime agenten overleven er slechts 90 de oorlog. De behoefte om de oorlog voorbij te leven is enorm. Velen lukt dat. Het valt me op hoe ook vandaag de blikken op de toekomst zijn gericht. Er wordt volop gesproken over de effecten van globalisering, de gevaren van een verdeeld Europa en de gevolgen van een in veler ogen steeds minder tolerant Nederland. Dat laatste baart bijna alle oud-geheime agenten zorgen. Jaap Hinderink: "Er zijn momenteel spanningen genoeg met allochtonen. Ik heb ook wel eens moeite met ze. Maar met de ervaringen van toen denk ik wel: die tolerantie moet je opbrengen. Je moet tolerantie behouden om de vrede te handhaven."

Pas in de jaren tachtig als de meeste mannen met pensioen gaan, ontstaat het idee voor deze bijeenkomsten. Prins Bernhard stelt begin jaren negentig voor de reünies van B.I. en B.B.O. samen te organiseren. Tot zijn dood in 2004 is de prins er zelf vaak bij. Hans Hoets (86), destijds stafmedewerker van Bureau Inlichtingen: "We hebben altijd gezegd: als we met minder dan 25 zijn, stoppen we er mee. Er schijnen er nu nog 26 te zijn, dus dit wordt de laatste keer." De voorzitter van het reünie-comité, de heer den Beer Poortugael, kan het niet meer opbrengen. Hij heeft last van zijn nieren. "Van onze kant zal er geen reünie meer georganiseerd worden. Ik zet er een punt achter."

Laatste reünie dus? Dat zullen we nog wel eens zien, hoor je tijdens dit laatste samenzijn steeds luider. Want hoe vreselijk de oorlog ook was: de vriendschap en verbondenheid maakte een hoop goed. Deze oud-geheime agenten zullen elkaar dus wel blijven treffen. En zo hoort het ook.