Naarmate ver verkiezingen naderen, wordt het bij de deskundigen populairder om een discussie te voeren over het Bradley-effect. Dat effect houdt in dat Amerikaanse kiezers in een verkiezingsrace tussen een blanke en een gekleurde kandidaat in de peilingen voorafgaand sneller zeggen op de gekleurde kandidaat te zullen kiezen dan ze uiteindelijk op de verkiezingsdag doen. Zou dat effect dit jaar op kunnen treden in de presidentsverkiezingen?

Het Bradley-effect is vernoemd naar Tom Bradley, een zwarte kandidaat voor het gouverneurschap in 1982. Hij stond gedurende de hele verkiezingsperiode in de peilingen voor op zijn blanke tegenkandidaat, George Deukmejian, maar verloor uiteindelijk met miniem verschil de verkiezingen. Achteraf bleek dat minder blanke kiezers op Bradley stemden dan vooraf was gepeild. Soortgelijke races zijn vaker voorgekomen, zoals de strijd om het gouverneurschap van Virginia, tussen de zwarte kandidaat Douglas Wilder en Republikein Marshall Coleman. Wilder won deze strijd dan wel, maar met minder dan een halve procent verschil, terwijl de peilingen hem een 9 procent voorsprong gaven. Opiniepeilers zeggen dat ze dergelijke mechanismen nu veel beter kunnen meten in de huidige peilingen.

Met de verkiezing van Wilder is meteen aangetoond waar de schoen wringt bij het Bradley-effect: die kan er wel zijn, maar dat betekent nog niet dat de gekleurde kandidaat per definitie verliest. De vraag is of het Bradley-effect deze verkiezingen een rol gaat spelen, terwijl er ook nog voorbeelden te noemen zijn waar de gekleurde kandidaat juist meer of in ieder geval evenveel blanke stemmen kreeg als vooraf was gepeild. In De laatste acht jaar lijkt het Bradley-effect minder sterk geworden.

Toch wordt er weer veel gepraat over het mogelijk sociaal wenselijk antwoorden door ondervraagden bij een peiling. Veel deskundigen zien de presidentsverkiezingen als de lakmoestest of van een Bradley-effect nog sprake is in het begin van de 21ste eeuw. Bij CNN zei Democratisch opiniepeiler Peter Hart afgelopen weekend dat hij er rekening mee houdt dat 2 tot 4 procent van de kiezers vanwege de huidskleur van Obama niet op hem gaat stemmen terwijl ze dat wel tegen de opiniepeilers hebben gezegd. Dat zou betekenen dat het Bradley-effect volgens hem nog bestaat, maar iets kleiner is geworden.

Maar wat zo moeilijk meetbaar is of het wel de huidskleur is geweest die de beslissing in het stemhokje leidde. Kiezers nemen doorgaans een gewogen beslissing op basis van veel meer elementen dan alleen de huidskleur van een kandidaat. Maar kan een peiling al die elementen achterhalen en wegen? Dat is zelfs voor opiniepeilers geen uitgemaakte zaak. De Obama-campagne beweert in ieder geval dat de economie veel belangrijker is dan huidskleur dit jaar en dat de kiezers daar dus zijn of haar stem van laat afhangen.

Dat neemt niet weg dat de campagne van Barack Obama zijn best zal doen om de marge in de peilingen zo groot mogelijk te houden, zodat zelfs met inachtneming van het vermeende Bradley-effect de winst hem op 4 november niet kan ontgaan. En aan de campagne van John McCain te niet te benijden taak om de aanval op Obama in te blijven zetten zonder zelfs maar van de schijn van een raciale ondertoon beschuldigd te worden. Want de campagnestrategen vrezen, waarschijnlijk terecht, dat een strijd in de laatste weken met racistische gevoeligheden helemaal averechts kan werken. Niet voor niets heeft McCain een persoonlijke aanval op Obama met gebruik van dominee Jeremiah Wright verboden. Op papier was die namelijk veel effectiever geweest dan een aanval via Bill Ayers.

Historicus Marc van Gestel schrijft sinds 2003 elke werkdag aan zijn weblog over de Amerikaanse presidentsverkiezingen vol: www.amerikalog.com