Ik heb het niet zo op de humorlozen van deze wereld. Met ze lachen is uitgesloten, meestal is er dan nog meer dat niet deugt. In de zeikende regen, onder een afdak ergens in het oosten van Duitsland, bleek weer eens waarom. Wij -de cameraploeg- schuilen zij aan zij met het onderwerp van onze reportage: neonazi's die zich voor een demonstratie verzamelen bij een station in de voormalige DDR.

Met enkele tientallen komen ze verkondigen dat het systeem niet deugt (got-ogossie). Rond een roestend bestelbusje met twee enorme luidsprekers blinken ze uit in het strak voor zich uitkijken. Het dreunende gekerm van wat klinkt als een overspannen schlagerzanger maakt trouwens elk goed gesprek onmogelijk.

De massaal aanwezige politiemacht maakt een ander aardig tijdverdrijf -een cameraploeg aftuigen bijvoorbeeld- onmogelijk. Daar staan ze dus. Buurtbewoners met digitale camera's kijken bepaald niet geïntimideerd, eerder verveeld. Ze hebben dit vaker gezien, helaas.

Voorzichtig probeer ik mensen aan te spreken, ik ben hier niet helemaal naartoe gekomen om aapjes te kijken. Bovendien, ik wil ook hún verhaal weleens horen.

De jongen die mijn uitgestoken hand negeert is minstens anderhalve kop groter, buigt zich over me heen en vraag wat ik wil. Hij verwijst me door naar de enige man met een stropdas, een politicus, een vriendelijke vijftiger en misschien daarom wel de gevaarlijkste van het hele stel. Ook hij weigert een interview.

De verslaggever die toch met iets wil thuiskomen gooit het dan maar over een andere boeg. Gewapend met draaiende camera lopen we op ons doel af. Noch een ontwapenende glimlach, noch mijn charmante steenkolenduits kan de maatschappelijk teleurgestelde glimkoppen overhalen. Ze duiken reeds bij de eerste vraag weg alsof Willebrord Frequin in aantocht is. 'Nein, die Presse verarsscht uns nur', mompelt er eentje. Sommige Duitse woorden zijn te mooi om te vertalen. De pogingen tot het voeren van een goed gesprek worden steeds onderbroken door hevige buien. Dan vluchten we, om zij aan zij te schuilen. Even droog? Terug naar de onze posities en húp, met draaiende camera weer proberen. En weer schuilen, waar het te donker en te vochtig is om te filmen.

Je zou zeggen, we treden allebei even uit onze rol en kunnen best een babbeltje maken over het Donnerwetter. Maar er kan geen greins af, geen woord.

Het tafereel is komisch, zoals de hele treurnis rond deze demonstratie iets komisch heeft. Ik moet een plotselinge schaterlach onderdrukken, die kan me met deze acteurs op een kopstoot komen te staan. Eentje wil uiteindelijk praten, het gaat niet eens over zijn bijna verregende Fuhrer-kapsel. Het blijkt een import-demonstrant, uitgerekend een buitenlander. Om te gillen, dat gegeven. De kleine optocht zet zich luidkeels in beweging.

Even breekt de zon door. Ik vraag me af, of het ook maar één glimlach heeft opgeleverd.