De emotie in de Amerikaanse verkiezingen zit niet in het thema economie. Laat dat mijn eerste les zijn in Canton. Braaf brabbel ik de kranten en analyses na: erg he, wat er allemaal gebeurt. Zeker wel belangrijk voor je, de economie? Ik krijg hooguit een blanko gezichtsuitdrukking terug. Travis bijvoorbeeld. Hij snapt er geen hout van, zegt hij. “Ik weet niet eens hoeveel nullen 700 miljard precies heeft. En al wist ik het wel, dan ben ik niet slim genoeg om te begrijpen wat ze ermee gaan doen. Ik merk het wel”, zegt hij schouderophalend. Voor hem is ‘the right to bear arms’ – de vrijheid om een geweer te mogen hebben- belangrijker. Niet zo gek: zijn inkomen is afhankelijk van de schietbaan die hij runt.

Emotie zit in andere onderwerpen. Abortus, recht op een pistool in je keukenkastje, het homohuwelijk. Dat zijn thema’s waar veel inwoners van Canton een duidelijke mening over hebben. Soms zelf zo duidelijk dat het bepaalt of ze wel of niet gaan stemmen. Vier jaar geleden speelden de republikeinen -Ohio had toen nog een republikeinse gouverneur- daar handig op in: ze zetten het homohuwelijk op het stembiljet. Dus naast de keus voor de president konden de inwoners ook daar nog voor of tegen stemmen. Het was een steuntje in de rug voor, met name, republikeinen die anders misschien thuis waren gebleven. Het zou Bush zelfs zijn nipte overwinning in Ohio hebben opgeleverd, die extra stemmen. Het homohuwelijk werd afgeserveerd.

Ik wilde wel eens weten hoe dat was gevallen binnen de homogemeenschap hier in Canton. Of dat voor hen nog steeds een belangrijk kwestie is in de verkiezingen, of toch, de economie of iets heel anders. Een week later heb ik nog steeds geen idee. Waarom? Als homo in Canton houd je je stil. En als je dat graag zo wilt houden, praat je niet met iemand van de media. Dit is zo’n plek waar je nog steeds je baan kunt verliezen als je collega’s erachter komen. Niet overal natuurlijk, maar het is geen handige binnenkomer. Ongetwijfeld zullen er mensen zijn die ijsbreken voor de rest, maar daarvan zijn er bijzonder weinig.

Toen ik het plaatselijke Obama-kantoor binnenliep om te vragen of er in hun gelederen mensen waren die met mij over het homohuwelijk wilde praten, kreeg ik het aan de stok met een van de vrijwilligers. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om te denken dat Obama daarvoor was. Dat zei ik helemaal niet. Maar ik kreeg geen kans om mijn vraag verder toe te lichten. Ik stond snel weer buiten. Uiteindelijk werd ik nog teruggebeld door een vrijwilliger vanuit het hoofdkantoor in Cleveland. Hij zou op zoek gaan naar iemand. Ik heb nog steeds niets gehoord.

Mijn steun en toeverlaat achter de balie van het hotel, Nina, wist me te vertellen dat er in de club waar zij vaak uitgaat genoeg homo’s zijn. Maar veel van hen hebben een dubbelleven: thuis wacht hun gezin. Ook niet echt een groep om nou eens even het homohuwelijk mee onder de loep te nemen. Iemand die ik belde omdat ik via via had gehoord dat hij een vriend had, ontkende dat met klem. Anderen bellen niet terug. 

Ik voel me een soort olifant in de porselein kast. Hier fluistert men, ik schreeuw. Want als de tegenstanders zich wel geroepen voelen naar de stembus te gaan, waarom laat de groep die het aangaat zich dan niet horen. Dus mijn vraag van de dag gaat even niet over de economie. Anybody gay?

(of ik slaag in mijn zoektocht is te zien in de televisie uitzending van zaterdag 25 oktober)