Het is traditie. Een dag voor Prinsjesdag maakt FNV bekend met hoeveel procent zij vinden dat de salarissen volgend jaar moeten stijgen. De centrale looneis is een eerste stap in de CAO-onderhandelingen met werkgevers. Met ruim 1 miljoen leden is de FNV de grootste vakbond van ons land. Voor 2018 was de looneis 3,5%. Hoewel de vakbond dit jaar deze looneis nog niet weet te verzilveren kondigde ze al eerder aan voor volgend jaar zeker niet lager te gaan zitten: “We zien nog steeds dat de lonen achterblijven bij de economische groei”, aldus Zakaria Boufangacha, de CAO-coördinator van FNV.

Lees ook:

Lonen blijven achter bij economische groei

Wat Boufangacha zegt klopt, vindt ook Peter Hein van Mulligen, hoofdeconoom van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het wordt ook wel het raadsel van de Nederlandse economie genoemd. Want hoewel de economie draait als een tierelier en de arbeidsmarkt krap is, stijgen de salarissen maar mondjesmaat.

“Je ziet dat vooral de CAO-lonen heel duidelijk achterblijven bij de gestegen productiviteit”

Van Mulligen zei dit in een uitzending van EenVandaag. In de afgelopen tien jaar is de arbeidsproductiviteit, dat wat we met z’n allen produceren, gestegen met vijf procent. Maar het gemiddelde loon is met 1% gedaald. Tien jaar terug was de arbeidsmarkt net zo krap als nu. Toen stegen de lonen met 3,6 procent. Nu blijft de salarisverhoging steken op zo’n 2,2 procent. De Rabobank berekende zelfs dat een gemiddeld gezin in 2014 hetzelfde besteedbaar inkomen had als in 1977. 

Vakbond FNV is niet de enige die roept dat de lonen omhoog moeten. Ook onze premier, Mark Rutte, en De Nederlandsche Bank vinden dat. Een grotere koopkracht is belangrijk voor het aanjagen van de binnenlandse bestedingen, met meer geld gaan we meer kopen. Maar ook voor het vertrouwen in de politiek is het van belang dat, als mensen horen dat het zo goed gaat met de economie, ze dat voelen in de portemonnee. Dit kabinet is er daarom veel aan gelegen om de koopkracht te vergroten. Zo lekte uit dat het kabinet op Prinsjesdag een koopkrachtstijging van 1,5% voor bijna alle Nederlanders presenteert.  

Waarom stijgen de lonen nauwelijks?

De vraag waarom de lonen nauwelijks stijgen is moeilijk te beantwoorden. Volgens de vakbond is het de laatste jaren steeds moeilijker geworden om de looneis kracht bij te zetten door het toegenomen aantal mensen in flexibel dienstverband. Voor deze mensen is het lastiger werk neer te leggen voor een hoger salaris dan mensen die gegarandeerd zijn van een vast contract. In een overzicht van de looneis van FNV en de gerealiseerde loonstijging zie je terug dat de looneis de laatste jaren steeds lastiger bereikt wordt:

Bron: AWVN

Maar moeten vakbonden wel bij de werkgevers zijn voor een hoger loon? Hans de Boer, voorzitter van werkgeversvereniging VNO-NCW vindt dat de vakbond moet aankloppen bij het kabinet. Dat zei hij in een eerdere uitzending van EenVandaag. De overheid heeft de laatste jaren een flink deel gekregen van de economische groei. Als de werkgevers minder hoeven af te dragen aan de overheid blijft er meer netto salaris over voor de werknemer, is de redenering van De Boer.  Het klopt dat een groot deel van de toegenomen welvaart terecht is gekomen bij de overheid. Maar ook bij de bedrijven. De overheid hoopt door lastenverlichting volgend jaar de koopkracht te verbeteren, maar vindt ook dat de werkgevers meer kunnen doen om de lonen te verhogen. De waarheid ligt in het midden, aldus Martin Visser, journalist bij de Telegraaf: “Om het besteedbaar inkomen weer een beetje omhoog te krikken zou het goed zijn als die lonen omhoog gaan. En de overheid kan de belastingen verlagen. De combinatie van hogere lonen en lagere belasting zorgt ervoor dat je netto meer in je portemonnee overhoudt.”  

Uitdagingen voor de vakbond

Om beter een vuist te kunnen maken aan de onderhandelingstafel wil de vakbond werk maken van meer mensen in vast dienstverband. Maar dat is niet hun enige uitdaging. De vakbond kampt met een teruglopend ledenaantal. En in een peiling onder het EenVandaag Opiniepanel over de rol van de vakbond bleek eerder dat van de werkenden maar 36% er vertrouwen in heeft dat ze hun werk goed doen. Staken is voor een vakbond bij uitstek het middel om een looneis kracht bij te zetten. Het is de vraag of dat middel nog genoeg aantrekkingskracht heeft. Uit dezelfde peiling onder het Opiniepanel komt ook dat het grootste deel van de werknemers (57%) helemaal niet bereid is om het werk neer te leggen. De opdracht voor 2019 is dus niet alleen om te zorgen dat meer werkgevers over de brug komen met een beter loonbod. Ook zal de vakbond moeten zoeken naar manieren om meer werknemers aan te spreken.