Dina-Perla de Winter groeide op in een streng orthodox joodse omgeving in Amsterdam. Thuis werd ze min of meer geterroriseerd door haar psychisch zieke moeder en haar halfbroer. Op haar vijftiende besloot ze naar een 'normale' middelbare school te gaan, in plaats van naar het Cheider, de enige joods-orthodoxe school in Nederland. Op haar achttiende vluchtte ze uit huis en verbrak al het contact. Veertien jaar na dit bepalende moment, heeft ze haar verhaal opgeschreven in haar boek 'Exodus uit de Vuurtoren'.

Razernij

De jeugd van De Winter bestaat vooral uit het zorgen voor haar moeder. “Eigenlijk was ik van jongs af aan de moeder en zij het kind. Ik maakte schoon en deed de boodschappen. Ze had polio dus ze was slecht ter been en liep op krukken. Zij had waarschijnlijk schizofrenie en isoleerde mij en mijn halfbroer volledig van de buitenwereld. Haar buien konden heel erg omslaan: het ene moment was ze net een super lief 9-jarig meisje: heel warm en knuffelig en dan uit het niets sloeg het om en kreeg ik alle razernij en ellende over me heen en had ze het alleen nog maar over hoe iedereen slecht en verdorven was en wat voor slechte mensen de buren waren. Ze knipte van alles uit aan joodse woorden. Dat was heilig en wilde ze bewaren. Ik woonde in een heel koud en donker huis, volgestouwd met spullen.”

Cheider

Als De Winter op haar achttiende thuiskomt na een dag werken, raakt ze verzeild in een ruzie met haar halfbroer die haar vervolgens aanvalt. Als ze door dat geweld in het ziekenhuis terecht komt, besluit ze aangifte te doen bij de politie. Vanaf dat moment staat ze er alleen voor.

Op het Cheider, de enige joods-orthodoxe school in Nederland, waar De Winter het grootste deel van haar schooltijd doorbracht, waren de regels streng. Er werd apart les gegeven aan meisjes en jongens. “Heel veel dingen werden gecensureerd. De geschiedenis bijvoorbeeld. Bloot mocht niet en we kregen ook geen seksuele voorlichting. Literatuur mochten we ook niet lezen. Er werden dogma’s verteld in de klas en er werd ook nog eens grip gehouden op hoe we buiten school ons leven leidden. Zo werd mijn vriend afgekeurd. Hij werd echt door het slijk gehaald. We hadden docenten die dingen zeiden als: "Elke keer dat een joods meisje een stuk van haar lichaam ontbloot gaat er iemand van ons volk dood in Israël."

Uithuwelijken

De Nederlandse joodse gemeenschap is tegenwoordig heel klein volgens De Winter. De verhalen die ze optekent gaan dan ook over heel wat jaren terug toen de gemeenschap nog meer gesloten was dan nu. “Ik ben niet tegen religie. Je ziet alleen te vaak dat het gecombineerd wordt met zaken waar geen humaniteit in zit. Het gaat mij om twee voorwaarden: dat humaniteit ten alle tijden voorop staat en dat iemand ergens écht voor gekozen heeft. In Nederland worden die uitdagingen steeds minder, maar er zijn nog altijd kwesties van uitsluiting, of dingen zoals in een homogene groep opgroeien en meisjes die uitgehuwelijkt worden.”