Laatst stond ik voor een spoorwegovergang te wachten en viel mijn oog op een levensgrote abri. Erop prijkte een sigarettenpeuk met een mooie rode strik eromheen. Eronder de tekst: ‘Doe een ander je afval niet cadeau’. Alweer zo’n geldverspillende Postbus 51-achtige campagne met nul resultaat, was het eerste dat ik dacht.

In kleine letters lees ik ook: ‘Met hetzelfde gemak, gooi je het in de afvalbak’. Natuurlijk: in Utopia doen we dat. Maar niet in het hedendaags polderende Nederland. Om preciezer te zijn: tachtig procent van ons doet dat wel, maar ergert zich aan die twintig procent die peuken, hele asbakken, plastic tasjes, lege chipszakken, afgekloven kauwgom en colaflesjes achterloos in de ‘publieke ruimte’ achterlaat. Op straat, in de tram, op het strand, op de snelweg of waar dan ook. Als ze het maar niet zelf hoeven op te ruimen.

En dat noemen we dan ‘zwerfafval’. Alsof het een op zichzelf staande entiteit is, een aparte maar wat ongewenst harig diersoort, dat op een dag zijn knapzakje inpakte en besloot de wijde wereld in te trekken. Lekker aan de zwerf! Het is tekenend hoe een afvalprobleem daarmee gede-personaliseerd wordt. Zo hoeven we de vervuiler niet aan te spreken en is het probleem ineens van ons allemaal.

Een hele rijtje van zinloze campagnes komt in me op. ‘Roken? Samen komen we er wel uit” Niet dus. Er moest een rookverbod aan te pas komen en ook daar wordt weer aan gemorreld. Want o, we zouden maar iets verbieden. ‘Het begint met taal’, ook zoiets, om nieuwkomers in Nederland te bewegen de taal te leren. In te burgeren (ook zo’n polderwoord met een hoog ‘Postbus 51’ gehalte.). Zoiets zou een organisch proces moeten zijn, waarbij nieuwkomers net zoals in de Verenigde Staten uit zichzelf de taal eigen maken omdat ze ervan doordrongen zijn hoe belangrijk dit is.

In Nederland lijkt het andersom. Nieuwkomers krijgen het idee voorgeschoteld dat ze niet perse de taal hoeven te leren, allerhande folders zijn in het Turks, Arabisch of andere vreemde talen. We lijken niet echt te staan voor wie we zijn: onze taal, ons land, onze inwoners, want we passen ons maar wat graag aan. Aan nieuwkomers of aan mensen die iets doen in de publieke ruimte (roken, afval op straat mikken) dat we eigenlijk niet willen. Dan krijg je taferelen zoals sigarettenpeuken gewikkeld in rode strikken. ‘Of we die een ander alsjeblieft niet cadeau willen doen?’

O? Maar word ik dan niet enorm in mijn vrijheid beperkt overheid, als u mij verbiedt afval op straat te gooien? “ Nou, we hebben het natuurlijk liever niet, maar als je het toch wil doen.....nouja, goed, dan ruimt een ander het wel voor je op hoor. Maar kijkt u de volgende keer wel even naar onze campagne wilt u? Want met hetzelfde gemak gooit u het in de afvalbak!’

Geef mij maar wetgeving zoals in Singapore waar je gewoon 250 euro moet betalen als je iets op straat mikt. Is het zo over hoor, met die zwervende beestjes op straat.