Lourens Portasse kan als geen ander vertellen wat er zo smakelijk is aan een saucijzenbroodje: “Dat knapperige deeg, het glanzende, vette korstje. Vet maar niet te vet.” Zijn blauwgrijze ogen beginnen te glimmen. “En dan dat héérlijk gekruide vlees. Je ruikt gewoon al hoe het in je mond zal proeven.”

En juist dat saucijzenbroodje staat symbool voor zijn zwakke plek: geen maat kunnen houden. Het begon bij hem ooit met een heftige rookverslaving. Vijftig tot zestig sigaretten pafte hij op een dag met gemak weg. Al snel weigerde Portasse zijn auto in te stappen als er geen slof sigaretten op de achterbank voor hem klaarlag.

“Maar van de een op de andere dag ben ik gestopt,” zegt hij trots. Een hele prestatie. Alleen ruilde hij de ene verslaving in voor een andere, eten. Nu is hij vele kilo’s verder. Honderdzestig kilo tikte de weegschaal aan toen hij afgelopen jaar aanklopte bij het Centrum Gezond Gewicht bij het Erasmus MC.

160 kilo aan boosheid

Konden ze hem daar misschien helpen? Want vele kilo’s staan een echt leuk leven in de weg, vertelt hij. “Ik was 160 kilo boosheid. Boos op mijzelf vooral maar ook op mensen die mij ervoor veroordelen.” Hij wilde niet meer de inactieve papa zijn die nooit voluit kan gaan met voetballen. Niet meer de man die halverwege de wandeling alleen nog maar wil blijven zitten en moet uitpuffen.

Nu zit hij in een zaaltje van het Erasmus Medisch Centrum samen met therapeute Geranne Jiskoot. Het uitzicht over de stad Rotterdam is spectaculair, maar het houdt Portasse niet bezig. In zijn hand brandt namelijk een zakje met twee saucijzenbroodjes. Broodjes van de HEMA, want daar zijn ze het lekkerst, verzekert hij.

'Het is heel gemeen' 

Jiskoot daagt hem uit. “Kun je de saucijzenbroodjes uit de verpakking halen? Wat ruik je dan?” Portasse slikt. Hij weet wat er volgt. Hij heeft deze sessie al eens eerder gehad. Steeds mag je de lekkernij ruiken, beschrijven wat het met je doet maar daar blijft het bij. Hij mag niets proeven. “Aan het eind van de sessie moet ik het weggooien. Verschrikkelijk. Eigenlijk heel gemeen.”

Een kwelling is het, geeft therapeute Geranne Jiskoot gelijk toe. Maar wel voor een goed doel. “Als het lukt, is het een succeservaring. Je kunt geprikkeld worden door wat voor jou het allerlekkerste is maar je hoeft het niet te eten. Het is heel naar maar je gaat er niet dood aan.”

Uitdoving, maar pijn doet het

Vertel dat maar eens aan de deelnemers. Zij zijn geregeld enorm boos of verdrietig wanneer ze hun favoriete snack moeten achterlaten of zelfs weggooien.

Door dit te oefenen, worden twee zaken die in het hoofd van de deelnemers aan elkaar gekoppeld zijn losgekoppeld, namelijk de snack zien en ruiken en die dan dus moeten opeten. Uitdoving heet het verschijnsel. Op de Universiteit Maastricht hebben ze dit uitgebreid onderzocht.

Helpt het? 

De resultaten zijn hoopvol: mensen konden de snack, waarmee ze oefenden, veel makkelijker ter zijde schuiven. Portasse lukt het deze keer zelfs zonder morren het saucijzenbroodje weg te gooien. “Zo heel erg lekker is het nu ook weer niet”, zegt hij flink. Het scheelt ook dat ze inmiddels zijn afgekoeld en daarom minder aanlokkelijk ruiken, mompelt hij even later.

De uitdovingstechniek is onderdeel van de cognitieve gedragstherapie. Die therapie hoort bij het uitgebreide leefstijlprogramma van het Centrum Gezond Gewicht van 1,5 jaar. Portasse is halverwege het programma en is inmiddels 13 kilo kwijt. Hij wil meer. Maar zijn behandelaars zijn al dik tevreden. Door dit gewichtsverlies heeft de man nare chronische ziekten als diabetes al buiten de deur weten te houden.

“Ik voel me ook echt beter”, geeft een dankbare Portasse aan. Nu pas realiseert hij hoe zijn gewicht drukt op zijn gezinsleven. “Ik nam letterlijk en figuurlijk te veel plaats in. Alles draaide om mij en mijn eetgedrag.” Hij wil de behandeling volhouden. Want het moet stoppen, ook voor hen. Het mag niet langer zo zijn, stelt hij, dat zijn vrouw en zoon niets lekkers meer kunnen eten omdat hij te weinig maat houdt.