Jan de Vries is 18 als de Duitsers op 10 mei 1940 midden in de nacht landen op vliegveld Valkenburg (Zuid-Holland). Nederlandse soldaten verjagen de Duitsers, die zich met Nederlandse krijgsgevangenen terugtrekken in het dorp bij het vliegveld.

De bevolking is niet geëvacueerd. Valkenburg ligt in de vuurlinie en het zijn Nederlandse kogels die de meeste schade en slachtoffers veroorzaken. 

De nu 94-jarige Vries snapt nog steeds niet waarom Nederlandse soldaten op een school schoten volg gewonden met een Rode Kruis op het dak. ‘Dat vraag ik me nog vaak af.’ Zijn moeder werd gered door een Duitse soldaat die bij zijn reddingsactie zelf om het leven kwam.

Schrijver Robert Haasnoot gebruikt de bloedige meidagen in Valkenburg als decor voor zijn roman Het laatste Vaarwel, die deze week uitkomt. Hij beschrijft hoe Nederlandse soldaten burgers en soldaten die krijgsgevangen zijn gemaakt of gewond in een noodhospitaal liggen beschieten in een paranoïde toestand. Ook worden burgers op de vlucht beschoten. 

Er vallen 23 burgerslachtoffers. Hoeveel Nederlandse soldaten door Nederlands vuur om het leven zijn gekomen is onbekend. Dat moeten er volgens Haasnoot veel zijn geweest. ‘Tot ver na de oorlog was er een taboe uit piëteit met de nabestaanden. Die wil je niet opzadelen met het verhaal dat hun zoon door Nederlandse vuur is gedood. Het is een pijnlijk en tragisch verhaal.'

Krijgshistoricus Herman Amersfoort schaart deze actie van het Nederlandse leger onder de noemer noodzakelijke oorlogshandeling: ‘De commandant vond dat het binnen het oorlogsrecht viel om een dorp te beschieten waar de vijand zat met dorpelingen en krijgsgevangen Nederlanders. Dat was de opvatting op dat moment. Als je vraagt hoe we daar nu over denken: we leven nu in een andere tijd waarin we andere keuzen zouden maken.'