De sportende mens tijdens de Olympische Spelen is klaar met de wedstrijd en verlaat het speelveld (het bad, de piste, de ring, de zee of wat dan ook) en wordt dan opgevangen door een aantal speciaal opgeleide, goed herkenbare, identiek geklede mensen: de Olympische media-medewerkers die de sporters dan langs de (langzaam opdringende) media dienen te leiden.

Dat gebeurt goed gestructureerd en op een voor alle partijen bekende manier. De Olympische medewerkers krijgen te maken met winnaars en verliezers en weten meteen hoe de vlag erbij staat.

Een winnaar laat zich vrij makkelijk langs de honderden journalisten leiden en de verliezers zakken het liefst door de grond. Wat moeten ze zeggen? Welke ontstellend stomme vragen (vinden zij) krijgen ze nu weer, tegenover welke Fransman, Argentijn, Amerikaan of Nederlander komen ze nu weer uit? Wie wil hun ongenoegen aanhoren?

Eerst zijn er ruimtes gecreëerd voor de rechten hebbende televisie-partners. De NOS is er zo een. Dan koop je een plaatsje in de rij, zet daar je camera, je cameraman en je verslaggever neer en als de wedstrijd afgelopen is worden de sporters langs al die vertegenwoordigers geleid. Ja, soms lijkt het op vee dat naar het slachthuis wordt gedreven… Na de rechten hebbende partners volgt een soort open markt, waar iedere journalist aan het hek staat te dringen en waar de atleten ook langs trekken. Tot slot is er dan ook nog de georganiseerde persconferentie… juist, met de winnaars.

Belangrijk te weten: het is aan de sportende mens wel of niet stil te staan en te gaan praten.

Hij of zij die dat niet wil, moet het zeker ook niet doen.

Zoals te begrijpen valt… winnaars hebben iets euforisch in zich, lopen langs al die veelal voor hen vreemde types en stoppen zo soms, vaak op gevoel, vaak is er enige herkenning van een vorige maal. Natuurlijk worden vertegenwoordigers van eigen land niet gepasseerd, dat snappen de sporters ook wel.

Usain Bolt bijvoorbeeld weet heel goed bij welke tramhaltes op weg naar de kleedkamer hij moet stoppen. Hij kiest de grote landen, hij is gevoelsmatig slim genoeg te stoppen bij NBC, de BBC, bij de Fransen, de Japanners en eventueel een Arabische zender, de Duitsers…grote atletieklanden…organisaties waar hij weleens door geïnterviewd is.

Grote sporters die goed in de markt liggen (commercieel dus) weten het uit zichzelf of anders zal hen dat wel door managers bijgebracht worden.

De eindafrekening heet immers in alle gevallen: geld, money.

Goed overkomen in een snel gesprekje betekent een grote aaibaarheid in de betrokken landen en uitbreiding van de markt, op welk gebied dan ook.

Hoe anders ligt dat bij teleurgestelde, boze, huilende, briesende en balende sportmensen.

Ze hebben helemaal geen zin in zo’n (toegegeven: vaak weinig zeggend) vraag- en antwoordspel en wensen het liefste een regelrechte gang naar de stilte van de kleedkamer. Weg met die microfoons, opschrijfboekjes en camera’s. Nu even niet. Is dat begrepen? NU EVEN NIET!

Toch stopten Ranomi Kromowidjojo en Dafne Schippers bij (in ieder geval) de NOS en probeerden ze hun zware teleurstelling onder woorden te brengen.

In beide gevallen leverde dat zaterdagavond vraagtekens op.

Schippers meldde te maken hebben gekregen met fysiek ongemak, maar wilde niet uitleggen wat ze bedoelde. De consequentie van haar woorden was dat de vervolgvraag van Jeroen Stekelenburg natuurlijk was: wat had je dan? 

Ze diende hem toe “Blijf maar gissen”.

Begrijpelijk wellicht, omdat ze er niet verder op in wilde gaan, maar ook meer dan begrijpelijk dat Stekelenburg het vroeg. Schippers opende immers zelf de poort naar dit raadsel dat ons Hollandse volk geheel van slag maakte.

Was het antwoord van Schippers (fysiek ongemak) niet handig?

Neen, maar ze floepte het eruit, bewust of onbewust.

Een mens dat zojuist een flinke domper heeft opgelopen, kan zoiets doen, nietwaar?

Kromowidjojo maakte van haar antwoorden aan het adres van Martin Vriesema een ware ratatouille. Haar gedachten waren, na haar nederlaag (want dat was het) en de grote teleurstelling die in haar hoofd rond joeg, nauwelijks te stoppen en de woorden die ze losliet waren een afspiegeling daarvan. Ja, ze had goed gezwommen, maar niet gewonnen, en het podium was ook al zo vreemd, en ze had voor de start een goed gevoel gehad en ze was centimeters te kort gekomen en ja, het deed pijn en nu had ze niets… woorden, woorden, woorden.

Was haar dat kwalijk te nemen?

Neen, helemaal niet.

Er zijn momenten dat sportmensen in zo’n staat van licht geestelijke ontbinding zijn en dat is, in haar geval, nog begrijpelijk ook; verwerk het maar: de Koningin van zwemmend London 2012 had troonsafstand gedaan.

De huidige manier van werken bij grote sporttoernooien als het gaat om het vragen stellen (interviewen is heus iets anders) aan sporters die net klaar zijn met hun wedstrijd, vraagt om deze behandeling.

We leven in een wereld van presteren en records, van complete registratie, van zo snel mogelijk reageren, van snel, snel, snel en de consequenties kunnen dan zijn dat je situaties krijgt zoals de beide Nederlandse sportvrouwen zaterdag samen met hun gesprekspartners creëerden.

Ja, inderdaad, “neen zeggen” was een optie geweest, maar dat wilden de twee ook niet. Ze hadden al vaker stil gestaan bij de NOS-medewerkers van dienst en ja, nu hoorde dat weer.

Ook bij snijdend verlies… en in feite is dat ook even groot als het moeilijk is.

Ik heb afgelopen week in de basketbalzaal (immers mijn werkgebied) veel spelers gewoon zien doorlopen. Sommigen kwamen later, met een chaperonne naast zich, terug om de grote nieuwskanalen toch nog even te bedienen, anderen gingen gewillig staan bij TV Honduras of iemand van een krant uit Cairo.

De spelers van Team USA lopen het liefst snel door, maar lijken een soort piketdienst te hebben ingesteld: dan die drie, de volgende wedstrijd weer anderen.

En ja, er zijn ook sporters die langs al die journalisten lopen en door niemand aangesproken worden. Dat heeft ook iets kils en vreemds in zich. Bij het baanwielrennen konden de deelnemers niet eerder de baan verlaten dan, rustig fietsend, langs al die persboxen te trekken.

De meesten reden toch snel door, keken vooral niet naar het journalistenvolk en gaven gas naar hun vrijheid.

Maar let straks maar eens op als de grote namen in de grote finales gaan winnen en zij hun rondes gaan maken. Bolt kan wel 54367 maal stoppen, de Amerikaanse basketballers ook.

Voor heel veel verliezers blijft die gang langs al die vragende microfoons een opgave en dat is ook weer begrijpelijk.

En weet u dat verreweg het grootste deel van alle Olympische deelnemers zichzelf 'verliezer' kan (moet?) noemen. Meer dan 90% van de allerbeste sportmensen van de wereld verlaat Rio als verliezer.

Of moet je zeggen: als niet-winnaar?

En allen hebben langs die zones moeten trekken waar 10.000 geaccrediteerde journalisten voor hen klaarstonden. Voor de snelle quote. 

En ja, ik zeg het nogmaals heel duidelijk: ieder sportend mens heeft het recht door te lopen en niets te zeggen. Dat staat boven alles. Zij of hij kiest zelf. De vraag is echter ook: kan een ieder dat? Neen dus.