Hier had een leuk stukje moeten staan over de muren die de binnenstad van Caïro de afgelopen anderhalf jaar getransformeerd hebben van levendige miljoenenstad tot hopeloze verkeerschaos. Maar het liep gistermiddag wat anders.

Ik ben nog geen twee minuten de deur uit om foto’s voor mijn nieuwe blog te nemen of er komt al een man naar me toe om te vragen wat ik aan het doen ben. Nou zijn Egyptenaren altijd heel nieuwsgierig naar wat je komt doen en wordt er zodra je een camera tevoorschijn tovert standaard gevraagd waarom je foto’s neemt, dus ik trek me daar niet al te veel meer van aan.

Ik wijs de muur voor ons, die de straat volledig afsluit en vol staat met graffiti. ‘Dat is een mooie foto’, zeg ik. De man - lang, kalend, wit overhemd met vlekken, zwarte broek - kijkt nors. ‘Ik wil je paspoort zien’, commandeert hij.

Ik vis een kopie van mijn paspoort uit mijn tas. ‘Ik kom uit Nederland.’ De man vraagt nogmaals waarom ik foto’s maak, en begint een preek dat het verboden is om foto’s te maken in Caïro. Ik zeg dat dat me wat overdreven lijkt en dat ik overal toeristen zie lopen met camera’s, maar bied evengoed aan de gemaakte foto’s te verwijderen en weg te gaan.

Alles wat ik tot nu tegen de man heb gezegd was in het Arabisch, en normaal gesproken is de reactie dan ‘oh, wat leuk, je spreekt onze taal’, maar deze man vindt mijn gebroken Egyptisch-Arabisch alleen maar meer bewijs dat ik kwaad in de zin heb. ‘Ik ben politieagent, ik neem je mee naar het bureau’, besluit hij, terwijl hij aan mijn arm begint te trekken. Ik heb genoeg horrorverhalen gehoord over Egyptische politiebureaus om te weten dat ik daar niet heen wil en protesteer hevig. Ik laat de man de foto’s zien die ik zojuist heb genomen en vraag hem zichzelf te identificeren, waarop hij mijn camera probeert af te nemen.

Sinds een paar weken heb ik met een Hongaarse collega een alarmsysteem in werking gezet, omdat er zoveel buitenlandse journalisten gearresteerd en lastig gevallen worden. Als een van ons in de problemen komt belt die de ander, geeft zijn of haar lokatie door en de ander belt vervolgens zo snel mogelijk de opgegeven noodnummers. Dit lijkt me een goed moment om mijn collega te bellen.

‘Sandor, ik word gearresteerd. Ik sta op de hoek van de straten Mohammed Mahmoud en Nubar’, ratel ik in mijn telefoon zodra hij opneemt. ‘Laat je onder geen beding meenemen naar het politiebureau, vraag of ze je naar een controlepost van het leger brengen’, luiden zijn instructies. ‘Probeer tijd te rekken, ik kom zo snel mogelijk naar je toe. Ik bel je contactpersonen.’ En mijn collega hangt weer op.

Zodra ik mijn telefoon terug in mijn tas wil steken, probeert de zogenaamde politieagent deze uit mijn handen te trekken, ‘Afblijven!’ snauw ik kwaad terwijl ik mijn mobiel weer uit zijn vingers gris. Ik begin een beetje genoeg te krijgen van deze bemoeizuchtige nep-agent. De man lijkt hier tot mijn verbazing enigszins door geintimideerd en deinst terug. ‘Kom nou maar mee naar het politiebureau’, bijt hij me van een afstand toe.

‘Waarom zou ik meegaan met een wildvreemde man als ik niks verkeerd heb gedaan?’, vraag ik hem. ‘Ik ga helemaal nergens heen totdat ik bewijs heb gezien dat je echt politieagent bent. Breng me anders naar het leger, die staan honderd meter verderop bij de ingang van het Tahrir-plein’, herinner ik me de woorden van Sandor.

‘Nee, we gaan niet naar het leger. Wacht hier, ik haal versterking’, zegt de man terwijl hij wegloopt. Hij beveelt twee mannen die een paar meter verder aan een auto staan te klussen om me te bewaken, zodat ik niet wegloop. Ik haal snel mijn telefoon weer tevoorschijn om een sos-tweet de wereld in te sturen.

Meneer nepagent komt terug met een ‘collega’ - een man in een blauw overhemd met korte mouwen, zonder badges of strepen op zijn schouders, maar met een pistool in een holster op zijn heup. Ook deze man lijkt me geen echte agent. Ik heb me inmiddels uit de afgesloten straat gemanouvreerd en sta op de drukkere hoofdweg, maar helaas werkt dit alles behalve in mijn voordeel. Er komen alleen maar meer mensen om ons heen staan die zich er tegenaan bemoeien en ze willen allemaal dat ik met de ‘agenten’ mee ga naar het ‘politiebureau’.

De man in het blauwe overhemd vraagt me om mijn paspoort, maar ik lieg dat ik dat niet bij me heb. Ik ben een keer eerder bijna gearresteerd en toen liet een van mijn mede-belaagden zijn paspoort zien, waar iemand vervolgens mee vandoor ging, zodat we geen andere keuze hadden dan mee te gaan naar het politiebureau.

Het blauwe overhemd blijft zeuren om mijn visum, en houdt vol dat ik mee moet naar ‘het hoofdkantoor’ zodat ze mijn paspoort kunnen controleren. ‘Ik heb mijn paspoort niet bij me, de kopie die je zogenaamde collega nu in zijn handen heeft is alles wat ik heb. Als je me meeneemt naar het politiebureau heb ik nog steeds geen paspoort met visum, dat ligt in mijn hotel.’ Het lijkt me op dit moment niet handig om te vermelden dat ik hier al bijna negen maanden om de hoek woon.

Ik veins ook opeens geen woord Arabisch meer te kunnen spreken of verstaan, wat nog knap lastig is als je mensen om je heen dingen hoort zeggen als ‘pak haar camera en haar telefoon af en stop haar in een taxi naar de gevangenis’ en ‘ze is een Joodse spion, laten we haar te grazen nemen’. Er wordt van alle kanten aan me getrokken en geduwd en de menigte om me heen wordt steeds groter.

Er komt onder meer een vrouw aanlopen waarvan ik de indruk krijg dat ze me wil helpen, maar zodra ze voor me staat trekt ze mijn tas open en begint erin te graaien. Op dat moment heb ik er genoeg van. Ik geef haar een flinke duw, scheld haar in het Engels de huid vol en maai een paar keer wild met mijn armen om me heen. ‘Als iemand me nog een keer aanraakt gil ik de hele buurt bij elkaar’, schreeuw ik woest. Opeens heb ik een paar meter ruimte om me heen.

Er stapt een dikke oudere man naar voren die in gebroken Engels vraagt of ik Frans spreek. ‘Oui’, roep ik. ‘Vertaal alsjeblieft wat deze mensen van me willen’, ook al weet ik dat al. ‘En leg ze uit dat ik niet geloof dat deze mannen politieagenten zijn en daarom absoluut niet met ze mee ga naar dat zogenaamde politiebureau van ze.’

Er zijn ondertussen nog twee andere ‘agenten’ gearriveerd. Twee oudere mannen in slonzige maatpakken, waarvan er eentje een bijna komische krulsnor heeft. Ik vraag ook hen om bewijs dat ze van de politie zijn, waarop de snor een fractie van een seconde met zijn ID-kaart voor mijn gezicht wappert. Het gaat te snel om er ook maar letter van te kunnen lezen.

Opeens zie ik in de menigte boze mensen een bekend gezicht: een van de medewerkers van de supermarkt die beneden in mijn appartementencomplex zit vraagt aan omstanders wat er aan de hand is. ‘Zij is oke hoor’, hoor ik hem zeggen, ‘ze woont boven de supermarkt’ en hij geeft mensen het adres, waarna hij gek genoeg weer wegfietst.

De Franssprekende man heeft ondertussen voorgesteld dat we naar zijn kantoor gaan, aan de overkant van de straat. ‘De agenten zijn bang dat die mensen hier je wat aan doen, ze willen liever prive even met je praten’, legt hij uit. Ik stem met tegenzin toe. Zodra ik het kantoortje binnen loop wordt ik gebeld door een Nederlandse collega uit Cairo, die ook de ambassade heeft ingeseind. ‘Maak je geen zorgen, er is hulp onderweg. Zorg dat ze je niet meenemen naar het politiebureau’, is onder meer haar boodschap. Als ik twee minuten later ophang is de sfeer in het kantoor 180 graden omgeslagen, alsof mijn Nederlandse gebabbel iedereen er opeens van heeft overtuigd dat ik toch geen spion ben.

‘Achter de muur waar jij foto’s van hebt genomen ligt het ministerie van Binnenlandse Zaken’, legt de snor vriendelijk uit. Ik wil hem corrigeren en zeggen dat dat twee straten verder ligt, maar bedenk me net op tijd en gooi er een verbaasd ‘Oh, echt? Dat wist ik niet!’ uit. Hij vraagt of hij de foto’s op mijn camera en telefoon mag zien.

Met mijn camera onder mijn arm in de houdgreep - nog steeds bang dat iemand hem steelt - laat ik hem een voor een de foto’s op mijn toestel zien. Gelukkig heb ik vorige week mijn geheugenkaart geformatteerd en zijn alle bloederige foto’s uit mortuaria en veldhospitalen gewist. Als we middenin het resultaat van een 40-delige fotosessie met mijn kat Otto zitten verslapt zijn aandacht en gelooft hij het wel.

‘Laat de foto’s op je telefoon zien’, bemoeit het blauwe overhemd zich er nog eens tegenaan. Opnieuw veel Otto, maar er zitten er ook een paar tussen van lijken en zwaargewonden in de verschillende veldhospitalen die ik de afgelopen weken bezocht heb. Het gaat ongeveer zo: Otto, Otto, Otto, een stapel lijken, een slapende Otto vanuit zestien verschillende standpunten, nog een paar lijken, een paar vakantiekiekjes op het strand, een set quasi-artistieke Instagram plaatjes, snapshots van Moslimbroeders bij de sit-ins die onlangs ontruimd zijn, Otto, meer Otto, foto’s van de hond van een vriend en nog meer Otto.

De snor kijkt na het eerste plaatje van Otto nog maar met een half oog en lijkt genoeg te hebben van alle ophef. Hij maakt een kopie van de kopie van mijn paspoort en geeft de ‘originele’ kopie terug. ‘Dankjewel, en sorry voor de overlast’ zegt hij, waarna hij de andere twee ‘politieagenten’ en de man waar alle ellende mee begon de zaak uit dirigeert.

Als ik ook aanstalten maak om weg te lopen zegt de eigenaar ‘blijf nog maar even zitten tot al die boze mensen buiten weg zijn’. Ik ga zitten en beantwoord het volgende kwartier mijn non-stop rinkelende telefoon. Als ik vervolgens echt weg wil gaan drukt de man me nog het volgende op het hart: ‘ik weet niet of die mannen van net echt politie waren of geheime dienst of gewone burgers die kwaad in de zin hadden, maar ze weten nu waar je woont dus je moet uitkijken. Ik raad je aan de komende nachten ergens anders te slapen en al je waardevolle bezittingen mee te nemen.’

Het lijkt mij in eerste instantie nogal overdreven, maar nadat ik wat collega’s en Egyptische vrienden gesproken heb besluit ik die avond toch maar naar een logeeradres te gaan. Dit verhaal zou zomaar eens een vervolg kunnen krijgen.

Ester Meerman schrijft de komende week een aantal blogs over de situatie in Caïro, waar ze ruim twee jaar woont en werkt als fotograaf/journaliste. Ze studeerde Journalistiek aan de Fontys Hogeschool in Tilburg en Communicatiewetenschap en Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam. Meerman werkte onder andere voor de NOS, KRO, NRC Handelsblad, Algemeen Dagblad en de TROS. Kijk hier voor haar website.