Afgelopen zaterdagmiddag bevond ik me in een uitspanning langs de Waal, de rivier dus. Het heette er Appeltern en op enig moment zouden de renners van de Giro d ‘Italia daar langskomen.

Overal in de buurt hadden eerzame Nederlandse burgers de kleur roze in hun tuinen, tenten en kleding en haar laten sluipen, overal werd (voor de gezelligheid dan maar) Italiaanse wijn gedronken, in de wijde omgeving was geen pizza meer te krijgen, mensen liepen blij en lachend, kwebbelend over de fysieke eigenschappen van Tom Dumoulin, over terrassen door tuinen en over vlonders en overal was het FEEST.

Feest als: jongens er gaat zo straks iets heel leuks gebeuren wat wij niet altijd meemaken, laten we in ons toch tamelijk grijze bestaan de zaak door een echt roze bril bekijken: lang leve de Giro; cin cin.

Ha, daar kwam de reclamekaravaan. Mensen klapten, namen foto’s, hoopten op kleine, nietszeggende cadeautjes die als centen in het dubbele rijen dik publiek zou worden gestrooid en toen werd het weer even stil op de weg langs de dijk.

De drie koplopers werden als directe afgezanten van een hogere macht met geschreeuw en applaus verwelkomd en toen een onverlaat riep dat de man in het geel Maarten Tjallingii was, steeg een waar gehuil boven de groep enthousiaste vaderlanders op.

Weer even stilte op de weg, ondoordringbare stilte die, enkele minuten later plaats maakte voor helikoptergebrom in de verte en ja…daar kwamen we…jongens geweldig….daar kwamen 195 profwielrenners aan…in een keurig gangetje, schouder aan schouder draaiden ze de dijk op, een enkeling wierp een bidon in het publiek dat klapte en klapte…tot de laatste auto’s van een lange sliert achter het peloton verdwenen was en er op nieuw stilte viel.

In het land van Maas en Waal. Als je goed luisterde hoorde je de stem van Boudewijn de Groot nog:

Daar trekt over de heuvels en door het grote bos

De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch

En we praten en we zuipen en we lachen allemaal…

Dit lied, precies vijftig jaar geschreven door Lennaert Nijgh, zit in ons DNA en De Groot wil het nooit meer zingen.

En ik zie nu beelden uit 2016 die precies passen bij de tekst, geschreven in 1966.

Toen overigens de Giro ook in het buitenland startte (Monaco) en Gianni Motta drie weken later won. Er startten toen 100 man; neen, geen enkele Nederlander.

Terug naar afgelopen zaterdag. Ik gooide de vraagstelling op in een luisterend gezelschap van zo’n drie honderd weldenkende Nederlanders: waarom gebeurt dit? Waarom deze bijna collectieve opwinding? Waarom deze nieuwe kleur in ons bestaan (tot en met de das van onze koning)?

Waarom de vele pagina’s en rubrieken vol nieuws over een wielerwedstrijd die, als die elders was gestart, nauwelijks een driekwart kolommetje ruimte had gekregen.

En de appendix- vraag luidde: waarom doen we dit niet bij de Ronde van Nederland?

Ik moest uitleggen dat ook die race bestond en dat die nauwelijks in eigen land gevolgd wordt, niet dagelijks op de nationale televisiezender te zien is, ergens een kleine bijrol in de kranten krijgt en al helemaal geen mensen naar de boorden van straten, lanen, pleinen, parken en wegen brengt, zoals nu ineens gebeurt.

Laat staan dat we die koers met een kleur identificeren.

Waarom is dat?

O.k., het was een vraag waar ik het antwoord wel op wist, maar retorische vragen mogen zo nu en dan gesteld worden, nietwaar? En het zette de luisteraars aan tot nadenken en discussie.

In principe rijdt er in de Ronde van Nederland (met welk commercieel voorvoegsel dan ook) zo’n beetje dezelfde kwaliteit renners rond en in ieder geval met meer bekende (Nederlandse) namen.

Voor het vinden van etappeplaatsen heeft men hier te lande de grootste moeite, nergens doet een burgemeester of een provinciebestuur ruimhartig de knip open, nergens is men enthousiast om ook die wielerwedstrijd te volgen op de manier die we nu drie dagen konden zien, voelen en waar we deels verbaasd en ook deels blij over waren.

Gelukkig…we konden nog ergens voor warm lopen, was het niet de nationale voetbalploeg, dan maar 200 renners van veelal onbekende signatuur, rijdend in voor ons veelal onbekende ploegen…maar dit was de Giro…die bijna mystieke wielerkoers uit Italië die we eens in de zoveel jaar in Nederland tegenkomen omdat onze centen goed blijken te zijn voor de Italiaanse organisatoren die in eigen land ook de eindjes aan elkaar moeten knopen en die dan maar naar Apeldoorn, Nijmegen en Arnhem trekken voor het begin van hun koers die dinsdag in Catanzaro (waar?) verdergaat.

Ik vond het fascinerend de mensen rond me te zien in hun enthousiasme voor het onbekende, het vreemde, het vooral mystieke. Iemand riep: “Wie waren die koplopers?” Een ander riposteerde:” Wat maakt dat uit joh, leuk toch die drie mannen die we niet kenden en herkenden…’t zal me worst wezen, ik heb een pracht dag…ober kan ik nog een wit wijntje krijgen…”

Sport als benevelend vertier voor de mens van nu. Nog niet lang geleden waren wielrenners leugenaars, bedriegers, jokkebrokken, recidivisten en misbaksels. Ze werden uitgekotst en met de nek aangekeken, maar de mens vergeeft blijkbaar snel en doet een roze T-shirt aan en klapt hard en is blij.

Een opgewonden, jonge vrouw vertelt me dat ze Tom Dumoulin in het passeren herkende:” Wel een stuk hoor,” lacht ze er verontschuldigend bij.

Het grappige is dat de koers nu Appeltern al tien minuten verlaten heeft en richting finish in Nijmegen snelt. Binnen in het ruime etablissement staat de televisie aan en kijkt een uiterst selectief groepje mensen (twee man om precies te zijn, ik ben een van hen) naar het scherm. De roze menigte buiten, danst, zingt, drinkt en heeft plezier. Niemand lijkt geïnteresseerd in de koers van het moment. Waarom ook eigenlijk?

Straks wint Marcel Kittel, denk ik.

De zon staat hoog deze middag en ik hoor vaag de stem van Boudewijn de Groot in de verte:

Onder de gouden hemel in de zilveren zon… 

Maar ook:

’t Is koudvuur dus het geeft niet en het komt niet in de krant…

Nou, deze Giro d ‘Italia-start komt dus juist wel in de publiciteit. In grote mate zelfs, wijds, door Bacchus besprenkeld, juichend, enthousiast en onverwacht.

Blijkbaar hadden “we” zo’n start van een roze wielerrit nodig.

Gelderland op zijn allerbest.