Tien jaar geleden zag de iPhone het levenslicht. De nu wijlen Apple-directeur Steve Jobs presenteerde op een januariochtend in 2007 drie apparaten in één: “Het is een iPod, een revolutionaire telefoon en een baanbrekend online communicatiemiddel in één. We noemen het een iPhone.”

Sindsdien staan we dankzij smartphones altijd en overal in contact met iedereen. En dat niet alleen. Het apparaatje checkt de buitentemperatuur, houdt wekelijkse hardloopprestaties bij, vindt de weg in een onbekende stad, en nog veel meer. “Het is eigenlijk als een zakmes,” zegt techverslaggever Merijn Doggen, “alles zit erin.”

Volgens Doggen is het handige apparaat dan ook niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Toch merkt hij ook dat er meer weerstand ontstaat onder mensen. “De smartphone wordt zo overmatig gebruikt, dat mensen er misschien wel een beetje genoeg van krijgen. Ik denk dat het in de toekomst best minder kan worden.”

Marli Huijer, Denker des Vaderlands en bijzonder hoogleraar in de publieksfilosofie, denkt dat de smartphone ervoor zorgt dat dagelijkse ritmes van mensen worden verstoord. “Via de smartphone zijn we dag en nacht bereikbaar, voortdurend bezig, en is er geen tijd voor rust en herstel.” En dat is precies wat de makers van smartphones willen. “Er zit zoveel kennis bij producenten over hoe je mensen kunt verleiden hun telefoon te bekijken. Dat maakt smartphones ontzettend moeilijk te weerstaan.”

In EenVandaag een gesprek met Huijer en Doggen over de smartphone in het dagelijks leven, wat voor effect hij de afgelopen tien jaar heeft gehad op mensen en hoe dat in de toekomst eruit gaat zien.