De telefoon gaat. Een maal, twee maal, zeven maal, de telefoon blijft gaan. Of ik op Internet wil kijken, want Johan is dood. Naar de studio? Een interview wellicht?

Ik probeer op een net te komen; alles loopt vast.

Weer telefoon…of ik iets zinvols wil zeggen over de betekenis van Cruijff voor ons land…

Volgend telefoontje…of ik wil vertellen hoe ik over hem dacht…

Of ik hem altijd kon volgen?

Jeetje. Johan is dood en ik voel dat mijn hart een hogere versnelling zoekt. Wat moet ik dan zeggen? Telefoon. Of ik uit mijn herinnering iets kan opdiepen dat “tekenend voor de man was”. Ik denk na, maar kan dat eigenlijk niet. Of misschien toch wel.

Ik zit in een klein montagehokje in Amsterdam en ben bezig met bewerken van beelden van Michael Jordan. Komt hij ooit uit op de wolk waar Johan nu zit? Mooie dag, denk ik. Mooie dag om dood te gaan: witte donderdag.

Eigenlijk weet ik niet precies wat dat eigenlijk inhoudt…

Telefoon. Of ik naar een studio kan komen.

Zijn dood zet ons allen op het verste, verkeerde been dat we hebben. Ja, hij had die verschrikkelijke ziekte, maar hij was toch aan het opknappen. Had ik onlangs niet ergens gelezen dat zijn zoon Jordi had gezegd dat hij aan de beterende hand was. 

Wat nou dood?

Ooit bedachten we dat hij bij een heel speciaal slag mensen hoort dat voor eeuwig bleef bestaan. Dat wilde niet zeggen: eeuwig leven, maar in “bestaan” kon ik me goed vinden. Als je hem ooit meegemaakt hebt, vergeet je hem inderdaad nooit meer.

Zijn antwoorden, de soms korte lijn van denken, de omwegen in zijn gedachten die ons allen deden schateren of gniffelen. Zijn eigen taal, het verbuigen van werkwoorden die niet te verbuigen waren…hij deed het.

Dat was zijn voordeel en ons nadeel. 

Hij kon iets over een opstelling zeggen dat hij, hoogstwaarschijnlijk, alleen snapte. Iedereen anders in welke televisiestudio dan ook, moest dan passen: geen idee.

Vroeger zei hij:” Heb jij wat te roken bij je?”

Dat pad verliet hij, God dank.

We koppelden roken aan kanker en zeiden “Zie je wel!”

Ook bij hem. Het opperwezen keek niet naar rugnummers, zo bleek. Hij kende zijn opstelling al. Johan was dood, dat deed pijn aan het vrolijke voetballand achter de duinen. Hij was van ons, of hij nou in Ajax- of in een Feyenoord shirt liep.

Het liefst in Oranje. Dan deed hij ons gloeien…

Ik herinner me ineens een moment dat hij, zeven jaar geleden of zo, naast Erik Breukink ging zitten in de ploegleiderswagen van Rabobank. Het was een Touretappe. Onderweg legde hij Breukink uit hoe er gekoerst moest gaan worden.

’s Avonds zat hij aan tafel  om over van alles te praten; een heerlijke verteller. Het gesprek zwenkte en ging alle kanten op, hij had er zin in, lachte veel.

Op die momenten was hij op zijn best, als hij ons allen op de verkeerde voet zette, als hij fladderde van gedachte naar gedachte. Als hij geheel ongrijpbaar was.

Dat is hij nu eigenlijk weer…

We gedenken hem, een wonderlijk vrije geest, een briljant voetballer en een buitengemeen mens: ongrijpbaar en soms niet te begrijpen.

Johan is dood.

Verdomme.

Ook hij is mens.